Stichting Oktober 44
  • Oktober 44

    Een aanslag van een verzetgroep bleek voor de bezetter aanleiding tot een vreselijke
    vergeldingsactie...

    Ongeveer 110 huizen werden in brand gestoken...

  • Oktober 44

    Putten was in oktober 1944 het toneel van de ergste wraakactie die Duitsers in de Tweede Wereldoorlog in Nederland hebben begaan.

    Vrouwen gingen de hongerwinter in zonder man.

  • Oktober 44

    Een echte, georganiseerde illegaliteit was er niet in Putten in de eerste jaren van de oorlog.

    Pas in 1944 kwamen enkele groepen tot stand.

‘De Duitsers kwamen aan de deur en we moesten mee. Ze zeiden dat de deur niet op slot hoefde, want we zouden binnen korte tijd kunnen terugkeren. Pas later hoorden we dat er een aanslag was gepleegd en wat de werkelijke bedoelingen waren.’
In het dorp zelf was het ook onrustig. De mannen in de kerken werden gewaarschuwd. Ze voelden zich bedreigd door de vele Duitse soldaten. Uit de kerk komende mensen mochten niet naar huis.

Een deel werd in de openbare school gevangengezet. De overigen, de zieken, kinderen en hulpbehoevenden moesten terug naar de kerk. Op de gaanderijen stonden mitrailleurs opgesteld.

Het vonnis

Nadat de bevelhebber van de Wehrmacht in Nederland, generaal F.C Christiansen, van de aanslag op de hoogte gesteld was, klonk zijn eerste reactie: ‘Das ganze Nezt muss angesteckt werden und die ganze Bande an die  Wand gestellt.’(Het gehele nest moet worden aangestoken en de gehele bende tegen de muur worden gezet.) De Duitsers besloten dat de schuldigen aan de aanslag neergeschoten zouden worden. De mannelijke bevolking tussen achttien en vijftig jaar diende te worden abtransportiert(afgevoerd). Verder moesten de vrouwen en kinderen worden geëvacueerd omdat het dorp Putten in brand zou worden gestoken. Het huis van de boer, die luitenant Sommer had verbonden, zou gespaard blijven. Ook de huizen van deutschfreundliche Einwohner (de Duitsers goedgezinde inwoners) zouden worden ontzien. Zondagavond lieten de Duitsers de vrouwen en kinderen vrij, onder voorwaarde dat zij de volgende morgen zouden terugkomen met voedsel voor de mannen. Daarna werd uit de overvolle openbare school een aantal mannen overgebracht naar de kerk. Een paar uur na middernacht kwamen enkele Duitsers de kerk binnen en deelden aan de Puttense emeritus-predikant ds. C.B. Holland mee dat de mannen zich ’s morgens op het marktplein moesten opstellen. ’s Morgens om half acht stond ds. C.B. Holland op. Hij liep naar de voorleeskatheder. Een ooggetuige verklaarde: ‘Het werd stil, niemand schuifelde nu meer en de petten en de hoeden gingen af. Hierop begon de dominee te spreken voor ons allen, zowel katholiek als protestant, en wees ons op de hoge Hand des Heeren, Die ook in deze benauwde ure ons tot hulpe zou zijn, een Toevlucht en Sterkte voor hen die bang waren.’ Tijdens dit spreken kwamen enkele leden van de Wehrmacht binnen. Ze bleven achter in de kerk staan, omdat ze bemerkten dat de dominee aan het woord was. Eén van de soldaten wende zelfs het hoofd af. Hij kon het tafereel niet aanzien. ‘Het zal wel een vijftien minuten geduurd hebben en de dominee eindigde met ons in het gebed op te dragen aan de genade en goedentierenheid Gods. Hierna verzocht hij ons met elkaar te zingen Psalm 84 vers 3 en 4; velen keken terluiks om naar de militairen in de kerk, maar die zeiden niets, zodat de dominee zeker begreep dat het gerust kon doorgaan. En daarop klonk het, eerst weifelend, maar al direct krachtiger:

Welzalig hij, die al zijn kracht
En hulp alleen van U verwacht,
Die kiest de welgebaande wegen.
Steekt hen de hete middagzon
In ’t  moerbeidal, Gij zijt hun bron,
En stort op hen een milde regen,
Een regen, die hen overdekt,
Verkwikt en hun tot zegen strekt.

Het greep ons allen hevig aan. Velen onzer vreesden het ergste en zagen de dood voor ogen en toen wij zongen:
Zij gaan van kracht tot kracht steeds voort;
Elk hunner zal, in ’t zalig oord
Van Sion, haast voor God verschijnen…

Kregen vele tranen in de ogen en bogen het hoofd. Na beëindiging van het gezang duurde het nog enkele ogenblikken, toen kwamen de militairen naar voren en werd op luide toon bevolen dat de mannen tussen achttien en vijftig jaar zich in de gangen moesten scharen en naar de deur gaan. Nu gingen de deuren open en werden ze allen naar het marktplein gevoerd. Wij, ouderen en enkele jongeren, bleven achter.’
Het verzoek van ds. C.B. Holland om zelf in plaats van deze mannen te mogen worden afgevoerd naar Amersfoort werd door de Duitsers niet ingewilligd. Op het marktplein werden de 660 mannen opgesteld in rijen van vijf en groepen van honderd. SS’ers voerden hen af in de richting van het station. Er waren zelfs jongens van zestien en zeventien bij.

Putten in brand

Nadat het marktplein door de laatste groep mannen was verlaten, sprak Fullriede de mensen toe. Hij wenste opheldering over de aanslag en over de vermiste officier. De mitrailleurs stonden op het kerkvolk gericht. De spanning was om te snijden. Men wist wat er in het Franse standje Oradour sur Glane na een aanslag was gebeurd. Daar waren de mensen in de kerk gedreven, waarna de kerk in brand gestoken werd. Ds. C.B. Holland kwam naar voren en deed een dringend beroep op iedereen om bij zijn of haar geweten te rade te gaan wat hemof haar te doen stond in het licht van de bedreigingen die tegen de gemeente waren geuit. Er volgde geen reactie. Daarna werd het vonnis over Putten voorgelezen: alle mannen tussen achttien en vijftig jaar zouden worden weggevoerd, het dorp zou worden platgebrand, waartoe het dorp vóór 17.00 uur ’s middags ontruimd moest zijn. Verder werden de grenzen meegedeeld waarbinnen het dorp zou worden aangestoken. Er konden kleren worden gebracht voor de mannen die naar het station waren afgevoerd.

Om twee uur in de middag stroomde de kerk leeg. Sommige mannen die voor wegvoering in aanmerking kwamen en zich in de kerk verstopt hadden, wisten tussen het kerkvolk te ontkomen. Haastig gingen de mensen naar hun huizen om te redden, wat er te redden viel. Het dorp zou in brand staan. Anderen hechtten in deze benauwde uren geen waarde aan hun bezittingen en vluchtten zo snel mogelijk weg. Weer een ander deel ging naar het station om afscheid te nemen van de weggevoerde familieleden, van mannen, zoons en broers. Dat het voor de meesten een definitief afscheid zou zijn, werd op dat moment niet beseft.
Tegen de avond van de tweede oktober 1944 werd het verlaten dorp in brand gestoken. Machteloos zag men toe hoe de rookzuilen opstegen. Putten brandde…. Ruim honderd huizen werden aan het vuur prijsgegeven.

Kamp Amersfoort

Toen de deuren van de goederentrein waren gesloten, vertrok de trein in de richting van Amersfoort. De eerste bestemming was het Polizeiliches Durchgangslager. In Amersfoort werden op voorspraak van mevrouw L.A.H.M. van Overeem-Ziegenhardt 58 mannen, meest vaders van grote gezinnen, vrijgelaten. ‘Op 11 oktober werden we ’s avonds na een lang appel op transport gesteld naar Neuengamme’ vertelt de toen achttienjarige Van Wincoop. ‘We hebben het in kamp Amersfoort niet slecht gehad. We kregen een Rode Kruispakket met eten en de behandeling viel ons mee. Wel moest je oppassen voor J. Kotälla met zijn honden.’

‘Gewerkt werd er eigenlijk niet. Zij die dat wel wilden , konden zich daarvoor opgeven. Sommigen schilden aardappelen, anderen maakten barakken schoon. Veel mannen spraken over thuis of zongen. ’s Avonds was het vlooien vangen. Er waren gevangenen die diep in de put zaten. De optimisten rekenden er op spoedig weer thuis te zijn. De Slag om Arnhem was immers begonnen. Het gebulder van de kanonnen was hoorbaar en dagelijks kwamen er honderden vliegtuigen over. De naderende komst van de geallieerden was waarschijnlijk de reden van onze relatief goede behandeling’.
Er waren zelfs komische momenten. Op een avond klonk het bevel: voeteninspectie. Iedereen in z’n krib moest met de voeten bloot. De inspecteur bleef plotseling bij een krib stilstaan en vroeg op barse toon waarom de eigenaar van een paar voeten z’n sokken niet had uitgedaan. Met een benauwd stemmetje vertelde de man dat hij dit wel gedaan had. Ondanks alle ernst klonk een bulderend gelach van alle kanten.

Op transport

Op woensdag 11 oktober 1944 moesten de manden de hele dag op het appel staan. Er heerste een zenuwachtige stemming in het kamp. De Duitsers waren gespannen. Kwam de bevrijder eraan? Opeens hoorden de Puttenaren dat ze op transport gesteld zouden worden. Volgens optimisten kon dat nooit ver zijn, omdat de treinverbindingen stuk gebombardeerd waren. In grote haast werden de mannen het kamp uitgedreven, de meesten zonder levensmiddelen. Onder bewaking van gewapende SS’ers marcheerden de gevangenen naar het station. De meesten werden in coupés geduwd, de anderen in veewagons gepropt. De deuren werden gesloten en in elke wagon nam een gewapende soldaat plaats. De trein reed niet hard. Al snel was er het bericht dat een jongen via een WC-raampje ontsnapt was.

Ook anderen zagen kans uit de trein te springen. Van Wincoop verhaalt: ‘Je keek steeds of je kon ontsnappen. De wat oudere Duitse bewaker zat te dommelen en ik kon zelfs de deur met m’n hand openen. Uiteindelijk heb ik geen ontsnappingspoging gewaagd. Ik kon mijn vader, die naast me zat, toch niet in de steek laten. Trouwens, we hadden geen idee dat we op weg waren naar een concentratiekamp. Daarvan hadden we nog nooit gehoord. Ik hoorde dat we bij boeren in Duitsland te werk gesteld zouden worden’.

De reis was verschrikkelijk. De mannen reisden van woensdagavond tot zaterdagnacht. Vaak stond de trein stil. Voor eten of drinken werd niet gezorgd. Buiten het station van Almelo maakte men zelfs een hele dag pas op de plaats. Engels vliegtuigen vlogen boven de trein en de gevangenen dachten dat hun laatste uur geslagen had. De Duitse soldaten zochten dekking langs de spoorbaan en hielden de trein met hun mitrailleurs onder schot, zodat ontsnappen onmogelijk was. Enkele gevangenen kregen toestemming wat voederknollen uit een akker te trekken. Dat was voor velen het enige voedsel tussen woensdagmorgen en zondagmiddag. Geradbraakt kwamen de mannen zaterdagnacht in Neuengamme aan.

Kamp Neuengamme

Het concentratiekamp Neuengamme lag op ongeveer twintig kilometer te oosten van Hamburg en was in 1940 gebouwd voor 2.000 gevangenen. Tijdens de oorlog was het kamp steeds verder uitgebreid, zodat er eind maart 1945 ruim 10.000 mensen vertoefden. Het hoofdkamp had vele Unterkommando’s, waarin tegen het eind van de oorlog nog 25.000 gevangenen waren ondergebracht. Hieronder waren 10.000 vrouwen. Ze leefden afgezonderd van de mannen. In totaal werden in kamp Neuengamme tijdens de Tweede Wereldoorlog ruim 83.000 gevangenen geregistreerd. Het kamp deed dienst als voorraadschuur van arbeidskrachten. De gevangenen leefden steeds in angst dat ze op transport zouden worden gesteld naar een werkobject in een Unterkommando.
Van Wincoop: ‘Toen we het kamp Neuengamme binnenkwamen, sloeg de schrik ons om het hart. We zagen daar levende skeletten in zebrapakken lopen. We werden meteen kaalgeschoren en alles wat waarde had, werd ons afgenomen. Vandaar liepen we spiernaakt naar het badhuis. Mannen smeerden ons in met een stuk surrogaatzeep. Daarna moest je op een soort slagersblok gaan liggen. Een ‘kapper’ krabde je ruw schoon. Het bloed vloeide rijkelijk. We stonden een paar minuten onder water en moesten zonder afdrogen verder.

Het was net lopende-bandwerk. In het volgende hok werd wat ondergoed toegeworpen en ook een bovenbroek en een jasje. Een eindje verder waren er een smerige oude hoed of muts en een paar schoenen of houten kleppers. Er was niets op maat en alles was even smerig. Met 100 man kwamen in een barak terecht. Die was uitgerust met vele kribben, eenpersoonskribben, ze waren driehoog. In de krib lag je met z’n tweeën dicht naast elkaar onder één dunne katoenen deken. Je moest die goed vasthouden, anders werd hij ’s nachts gestolen. ’s Morgens kreeg je een homp brood. Verder was er ’s avonds nog wat te eten. In tonnen stond er dan een soort aardappelsoep. Boven in de ton dreef het water, onderin lagen enkele aardappels. Per twee personen kregen we één schaal. De eerste keer moest ik de schaal delen met een Rus, die reeds kampervaring had. De Rus liet de schaal vullen en rende daarna snel weg. Toen ik hem terugvond, had hij de schaal al leef. Dat overkwam me geen tweede keer. Je had altijd honger. Het belangrijkste was: eten. Iedereen was gespitst op het onderste in de ton, want dan had je kans een paar aardappelen in je schaal aan te treffen. Werd het echter dringen bij de ton, dan sloegen de bewakers er flink op los.’

‘Het was vroeg opstaan in het kap. Met brullen en dreunen tegen de kribben maakten de bewakers duidelijk dat de dag was begonnen. Wie niet vlug genoeg was, werd van de krib afgeslagen. We behoorden snel de krib op te maken. Daarna konden we naar buiten om er een stuk brood in ontvangst te nemen. Van ’s morgens half zes tot het donker werd, mocht men de barak niet meer in’, vervolgt Van Wincoop. Het was buiten ijsberen achter het prikkeldraad. Vrijwel alle nationaliteiten van Europa waren in het kamp vertegenwoordigd. De meesten dachten er niet meer aan zich schoon te houden. Vervuild liep men rond met wonden aan handen, mond en voeten.
Elke barak had haar Stubedienst die uit een blokoudste en ongeveer vijf ondergeschikten bestond. Meestal waren het Duitse politieke gevangenen om Polen. Zij verzorgden de verdeling van het eten. Vaak aten ze eerst zichzelf dik, voordat ze de andere kampbewoners wat gaven. Bij de geringste aanleiding ranselden ze de gevangenen af. Het waren deze ‘kleine’ beulen die verantwoordelijk waren voor de dood van duizenden gevangenen. Alle moraal raakte weg, het was vechten om te overleven.
De derde dag al werd een eerste selectie van gevangenen gemaakt. Hierdoor konden de Puttenaren niet als groep bij elkaar blijven.
De gebrekkigen en ook de vaklieden, de timmerlui en de metselaars bleven in het kamp. De zwakken of die er bleek uitzagen, vertrokken naar Wedel bij Hamburg. Er werden steeds nieuwe transporten georganiseerd, zodat de Puttenaren tenslotte over verschillende buitencommando’s werden verspreid. Verschillenden van hen kwamen in Husum terecht.

Husum

In totaal werden 1000 mannen op transport gesteld naar Husum, een buitencommando van het concentratiekamp Neuengamme, in de provincie Sleeswijk-Holstein. Zulke transporten waren verschrikkelijk. Bewakers sloegen de gevangenen als vee de goederenwagons in. In Husum waren de omstandigheden nog slechter dan in Neuengamme. Om vijf uur was het reveil en kreeg men een stuk brood. De mannen werden verdeeld in groepen van 100 man. Daarna volgde de uitdeling van schoppen en houwelen. Na een vreselijke tocht naar het werk, begon het graven in de grond. Hier kreeg men te maken met de echte beulen: de Kapo’s, opzichters die belast waren met een goede uitvoering van het werk. Vooral op de eerste dag sloegen ze er om het minste of geringste op los.
In de moerassige weilanden moesten tankvallen worden gegraven, brede sleuven, van boven vier meter breed, twee meter vijfenzeventig diep, de wanden schuin toelopend naar onderen waar de breedte dan nog vijftig centimeter moest zijn. Het merendeel van de mannen had geen kousen of sokken aan en stond dagen lang in water en kou. Rustdagen waren er niet. Verschil tussen de zondag en andere dagen werd er niet gemaakt. Het werk moest doorgaan. Al spoedig stierven de eersten.

Ladelund

De Puttenaren kregen bericht, dat ze naar een ander kamp getransporteerd zouden worden. In eerste instantie was er blijdschap. Slechter konden ze het toch niet krijgen. Al spoedig volgde de teleurstelling omdat het kamp Ladelund weer erger dan Husum bleek te zijn. Ook hier moesten tankvallen worden gegraven. In het kamp verbleven 2.000 gevangenen, terwijl het eigenlijk was ingericht voor 350 mannen. Water was er niet, omdat de pomp het begaf. Als het regende, openden de mannen de mond om wat vocht op te kunnen opvangen.
Aanvankelijk kregen de zieken van de dokter, ook een gevangene, een Schoningsschein, een bewijs dat ze tijdelijk niet behoefden te werken. De beulen lachten echter om zo’n document en de zieken die niet aantraden, werden de barakken uitgeknuppeld. Op de werkplek werden de zieken op de natte grond gelegd om er te sterven. ’s Avonds moesten de gevangenen de lijken op de rug nemen en ze naar het kamp terug dragen. Het getal van de gevangenen ’s morgens moest gelijk zijn aan dat van ’s avonds, of ze nu dood waren of levend. In zes weken stierven er van de 2.000 mannen niet minder dan 1.500.
Van Wincoop vertelt verder: ‘Uit het werk werden de schoppen op een hoop gegooid. De volgende morgen pakten we onze spaden voor een nieuwe dag. Er waren er echter twintig te weinig. Wie geen schop had, werd neergeslagen. Ik hoorde dat m’n vader in de paardenstal lag te sterven. Hij leed, zoals velen, aan bloeddysenterie. Ik mocht er van de bewaking niet heen, maar ik ben toch gegaan en heb hem nog de hand kunnen drukken. We waren bang voor diarree, want dat betekende de dood. Om diarree te voorkomen, aten we zelfs houtskool. De dood was overal om je heen. Het heengaan was voor iedereen verschillend. De één zong psalmverzen, terwijl een ander vloekend stierf. Ik herinner me een jongen die spiernaakt buiten in de kou te lag te sterven. Hij zei dat hij nog nooit zo gelukkig geweest was als op dat moment.’goed werk is er verricht door pastor Joh. Meyer van de Evangelisch-Lutherse gemeente van Ladelund. Wanneer de gevangenen hun doden op de begraafplaats van het kerkje kwamen begraven, stopte hij hen wat eten toe. Eind december 1944 keerden de overgeblevenen terug naar Neuengamme om wat aan te sterken.

Terug Neuengamme

In Neuengamme werden de overlevenden met zwerende en kapotte voeten in de ziekenbarak ondergebracht. Deze barak was overvol en medicijnen waren niet aanwezig zodat velen bezweken. In de Schonungsblocks hadden de zieken het wat beter. Er was geen verwarming, maar wel kregen de gevangenen bovenop het voedselrantsoen twee sneetjes brood met worst. Toch was de situatie vreselijk. Om de drie weken keurde een SS-arts alle zieken. Voor velen betekende deze keuring de dood, omdat de zieken urenlang naakt opgesteld stonden in een tochtend waslokaal. Wie goedgekeurd werd, vertrok naar een volgend werkkamp.

Het vliegend transport

Wie in Neuengamme enigszins aangesterkt was, moest weer op transport. Zo was er een vliegend transport. Het bestond uit 600 mannen die hun verblijf hadden in wagons. Daarin waren kleine verhogingen aangebracht om op te slapen. De reis duurde vijf dagen. De bewaking was zeer zwaar. De plaats van bestemming was Soest in Zuid-Duitland. Daar moest het gebombardeerde spoorwegemplacement worden hersteld. Op de achtergrond was het kanongebulder hoorbaar. Het was maart 1945 en de frontlinie lag dichtbij. De mannen leden ontzaglijke honger. Het was heerlijk wanneer een verrotte appel, dit uit een wagon gevallen was, kon worden verorberd. ‘Tijdens het werk hoorden we opeens een schreeuw. Eén van de kameraden had, naar hij meende, een vat jenever gevonden. Snel werden schaaltjes gepakt. Mannen sloegen het van stuk en dronken. In korte tijd lagen tien van hen tegen de grond. In kruiwagens werden de ziek geworden mannen, meer dood dan levend, naar de wagon gebracht. Ik had als taak op ze te passen’ vertelt Van Wincoop. ‘De volgende dag gilden ze het uit van de pijn. Opeens begonnen de sirenes weer te loeien. Angstaanjagend kwamen brommende vliegtuigen dichterbij. Bommen vielen. Het enige wat ik me er nog van kan herinneren, is een grote vuurzee.

Het is een wonder dat ik uit de wagon ben gesleurd. Van de jongeren heb ik niemand teruggezien. De wagon had een voltreffer gekregen. Bewusteloos en verbrand werd ik met nog tien andere gewonden naar een ziekenhuisje gebracht, waar we het erg goed hadden. De Amerikanen kwamen steeds dichterbij en stonden op het punt de Rijn over te steken. De nacht voor onze bevrijding werden alle gevangenen, ziek of gezond, halsoverkop op transport gesteld. Ik werd voor een vreselijke keuze geplaatst: meegaan of achterblijven. Zouden de achterblijvers doodgeschoten worden? Met een klein groepje bleef ik in het ziekenhuis. Tot onze grote vreugde werden we eind maart 1945 door de Amerikanen bevrijd. Dat gebeurde ’s nachts. De volgende morgen toonden de Amerikanen één van onze beulen op de ziekenzaal. Het scheelde maar weinig of we hadden hem gelyncht. Er waren onder de gevangenen mannen die direct aan de zijde van de Amerikanen wilden meevechten. Dat kon natuurlijk niet. De chaos was groot. Alle leiding ontbrak. Er waren zelfs mensen, die zich dood aten. Met een Rode Kruiswagen zijn we naar Hannover gebracht om overgevlogen te worden naar Parijs. Daar konden we in een Amerikaans hospitaal verder opknappen. Onderweg heb ik een woordje Frans geleerd namelijk: oui. Het onstuitbare verlangen naar eten bleef, iedereen kreeg onderweg eten, wijn en dergelijk aangereikt, maar ik kreeg niets. Ik hoorde dat mensen steeds ‘oui’ riepen. Toen ben ik dat ook maar gaan roepen. Ik kreeg zowaar wat toegestopt. Na de bevrijding hoorden we dat de grote groep gevangenen drie dagen en drie nachten had gelopen en dat daarbij 75 procent om het leven was gekomen. Wie het niet kon volhouden, kreeg de kogel.’

Het thuisfront

Nadat de eerste mannen begin oktober 1944 uit kamp Amersfoort waren vrijgelaten, kreeg de bevolking van Putten weer moed dat ook de andere mannen spoedig zouden terugkeren. Deze hoop werd de bodem ingeslagen, op het moment waarop de laatste twintig vrijgelatenen verklaarden dat de overigen per trein naar Duitsland waren afgevoerd. De ontsnapten uit de trein bevestigden dit bericht. Eind oktober werden reeds de namen genoemd van Duitse plaatsen als Lauenburg, Neukammer en Neumaggen. Pas later zou de naam Neuengamme in het geheugen gegrift worden.
Wie durfde deze vreselijke werkelijkheid onder ogen te zien?
Op 1 november 1944, een maand na de razzia sprak ds. C.B. Holland de volgende woorden van Puttens kansel: ‘Gij, Heere, hebt de gerichten besteld over land en volk; en de koningen en de machtigen der aarde zijn niet anders dan de bijl waarmee Gij slaat en de zaag die Gij trekt. Daar willen wij liever niet van horen, doordat wij in de gerichten niet gaarne Gods straffende gerechtigheid zien. In de gerichten openbaart Zich God als de hoogste Rechter der ganse aarde. Daarin openbaart Hij Zich in Zijn heiligheid en gerechtigheid. De hele aarde kan heden ten dage zien, dat de levernde God een zondenstraffend God is, dat de toorn Gods geopenbaard wordt van de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid van de mensen, en dat wij in die gerichten om zullen komen, zo wij geen Borg en Middelaar voor onze ziel gevonden hebben…’
Eind november en begin december 1944 kwamen de eerste overlijdensberichten binnen. Naar de oorzaken moest men gissen. De plaatsnamen Husum, Ladelund, Wedel en Meppen, in de berichten genoemd, deden weinig goeds vermoeden: harde arbeid in veenmoerassen. Tegen Kerst 1944 zou nog een poging gedaan worden de Puttenaren te bevrijden. De heer J.B.A. Schaepman die goede contacten had in Duitsland, zou met een auto vol levensmiddelen vertrekken. Het bleef helaas bij een plan. De Hongerwinter volgde en de geallieerde opmars stagneerde.
Op 7 februari 1945 vond er in Putten een gemeenschappelijke bidstond plaats, waarin ds C.B. Holland en de gereformeerde predikant ds. G. de Jager, voorgingen. Uit de kampen sijpelden af en toe berichten door naar buiten. Op 18 april 1945 werden te Putten de Canadese bevrijders enthousiast binnengehaald. Daarna volgde het uitzien naar de terugkeer van de weggevoerden.

Wat men in Putten niet wist, was dat de volgende dag commandant Pauly van het concentratiekamp Neuengamme opdracht had gegeven het kamp te ontruimen. De Deense gevangenen werden naar hun vaderland gestuurd. De 6.000 overige gevangenen, waaronder ook Puttenaren, werden in vrachtwagens naar Lübeck overgebracht, waar nog meer gevangenen stonden te wachten. Ongeveer 9.400 gevangenen werden op drie schepen geplaatst. Een vreselijk schouwspel volgde, toen op 3 mei Engelse jachtbommenwerpers een aanval op de drie schepen uitvoerden. De aanval duurde twintig minuten. Na afloop stonden de schepen in brand. Ongeveer 7.300 uitgeputte, uitgehongerde gevangenen kwamen in de vuurzee om of stierven de verdrinkingsdood. Onder hen waren negen Puttenaren, zes Puttenaren overleefden de ramp.

Naar huis!

‘Toen ik weer wat aangesterkt was’, vertelt van Wincoop verder, ‘werd ik in een Amerikaans uniform in Parijs op de trein naar Breda gezet. Het was een grote vreugde weer in het vaderland terug te zijn. In Breda was verder niets geregeld. Zelfs begin juni 1945 was het nog een grote chaos in ons land. Dan maar liftend naar Putten. Nog altijd ben ik de heer Wassink uit Amersfoort dankbaar, hij pikte me op en heeft me zelfs thuisgebracht. Hij handelde erg verstandig door mij zo’n 500 meter van huis in de auto te laten wachten en zelf m’n moeder voor te bereiden op mijn komst. Moeder was in rouw; de doodsberichten van mijn vader en mij waren reeds doorgekomen. Moeder stond sprakeloos en was in tranen. Ze was overstelpt en kon geen woord uitbrengen. Die zevende juni zal ik nooit vergeten. ’s Middags stroomde de deel van onze boerderij vol met weduwen die iets over hun echtgenoten en zonen wilden horen. Ik kon er niet toe komen om veel te zeggen, het zou de droefheid van de achtergeblevenen alleen maar hebben vergroot.
Naderhand heb ik in dit alles Gods voorzienigheid mogen opmerken. Onze wegvoering is voor mijn moeder het middel geweest tot haar bekering. ’s Avonds toen ik naar bed ging, bleef ze dralen. Ze wilde zien of ik m’n knieën nog boog voor de nacht. Ik heb later mogen zien dat de mens dood is voor de dood. De kampervaringen hadden me in geestelijk opzicht eigenlijk niet gedaan. Wat is het dan een wonder als de Heere een mens opraapt van het vlakke des velds, vertreden in z’n bloed. Het is niet door kracht, noch door geweld maar alleen door Gods Geest dat het geschieden zal.’

Rouw over Putten

Aan kapitein W. van Praag, verbindingsofficier bij het Britse leger, werd op 20 april 1945 gevraagd meer over het lot van de weggevoerde Puttense mannen te achterhalen. Bij zijn terugkeer in Duitsland ontmoette hij een aantal Puttense overlevenden. Hij gaf hen vier dagen de tijd namen van omgekomen Puttenaren op te schrijven. Op 10 mei, de Hemelvaartsdag van 1945, keerde Van Praag terug met de dodenlijst. Er werd besloten de lijst in de kerk voor te lezen. Een ooggetuige vermeldt: ‘(…) en zo gaan de mensen de kerk binnen, vol verlangen en toch angstig het vreselijke te vernemen. Ds. C.B. Holland beklimt de kansel en leest bij het licht van een in allerijl gehaald olielampje, want het begint reeds te duisteren, de lange, lange lijst voor. Welke een ontsteltenis. Allen dood! Enige zonen op wie de ouders al hun hoop hadden gebouwd. Sterke vaders, de trots van vrouw en kinderen. Bij A. vier weg. Verschrikkelijk. Van mevr. B. man en twee zoons weg. Geen familie zonder rouw.’

Een dorpsgenoot die juist van een reis thuiskwam, dacht toen hij de grote schare huilende vrouwen uit de kerk zag komen aan Jeremia 31:15: ‘Er is een stem gehoord in Rama, een klage, een zeer bitter geween: Rachel weent over haar kinderen, zij weigert zich te laten troosten over haar kinderen, omdat zij niet zijn.’
Ds. Holland schreef in een brief aan een vriend het volgende: ’10 mei 1945, het was juist Hemelvaartsdag, heb ik ’s avonds ongeveer half elf een lange dodenlijst, ongeveer 180 overledenen, bij walmend petroleumlicht in de kerk voorgelezen. Ontzettend was dat. Ik moest mij hard houden om het te doen, terwijl de mensen als domme doodsbleke beelden zaten te luisteren naar de verschrikkingen die ze te horen kregen. En toen wat het dag uit dag in, nieuwe doodstijdingen en bezoeken bij de getroffenen. En ik was hier altijd nog alleen als predikant.’
Bewogen heeft de prediker zich van deze taak gekweten. In dienst van de Opperherder was hij bij zijn schapen. Nooit heeft hij mensen valse hoop gegeven, overtuigd als hij vanaf het begin was, dat slechts weinigen zouden terugkeren. Begin augustus 1945 vertrok een opsporingscommissie die veel gegevens over omgekomen Puttenaren wist te verzamelen. Voor een groot aantal mensen bleef echter een moordende onzekerheid over het lot van geliefden.

Er kwam geen duidelijkheid of ze werkelijk omgekomen waren.
De weduwe D. Noggeren-Kingma bleef met drie kinderen achter, in leeftijd variërend van zeven jaar tot zes maanden. De naam van haar man werd op de bewuste Hemelvaartsdag voorgelezen. ‘Het drong niet tot je door. Ik heb altijd in een roes geleefd. Je probeerde het te verdringen door op gaan in je werk en de kinderen. Ik heb nu nog weleens schuldgevoelen dat ik er zo mee omgegaan ben. Het is misschien vreemd, maar ook als weduwvrouwen onder elkaar hebben we er nooit over gesproken. Je wilde het verdringen. Het Gedenkboek dat in 1948 uitgegeven is , heb ik nooit kunnen lezen. Vorig jaar heb ik het weer een geprobeerd, maar het lukt me niet. M’n dochter lukt het trouwens ook niet. Ik hoorde van één van de teruggekeerden dat m’n man zich in Gods hand mocht overgeven. Toch heb ik die man nooit verder durven vragen. Dat is te emotioneel voor me. Ik ben wel met de nabestaanden mee geweest naar Neuengamme en Ladelund. Vooral de oven in Neuengamme waarin veel lijken gecremeerd werden, vond ik verschrikkelijk. Je probeert het steeds zoveel mogelijk van je af te zetten. Nee, ik heb het nog niet verwerkt.’

Het totaal aantal weggevoerde mannen bedroeg 660. Hiervan werden er 58 in Amersfoort vrijgelaten, terwijl onderweg naar Duitsland dertien mannen wisten te ontsnappen. Slechts 48 mannen overleefden de verschrikkingen van de kampen. Van deze 48 stierven er kort na hun terugkeer nog vijf. Samen met de zeven mannen die tijdens de razzia werden doodgeschoten bedraagt het totaal aantal dodelijke slachtoffers: 552.
Ruim 200 mannen zijn omgekomen in het concentratiekamp Neuengamme. 110 zijn in Ladelund begraven. In Versen bij Meppen stierven 50 Puttenaren. In Husum kwamen 20 mannen om het leven. In Bergen-Belsen 18, in Engerhafe 10, in Wedel 5 en in Ludwiglust eveneens 5. De overigen vonden de dood in Dachau, Ravensbruck, Buchenwald, Beendorf, Watenstedt, Hamburg, Malchow, Wöbbelin, Dalum, Bremen, Farge, Neuenkirchen, Mauthausen, Bad Sassendorf. Zevenentwintig weggevoerden stierven tijdens een transport tussen Meppen en Sandbostel, twee tussen Bremen en Sandbostel en twee tussen Watenstedt en Ravensbruck.
Op het moment waarop ds. C.B. Holland eens naar de namen van zijn niet-teruggekeerden catechisanten in het oude catechisatielokaal stond te staren, vroeg zijn opvolger, ds. L. Kievit, of het mogelijk was dat deze jonge mensen in hun ellende zingend waren heengegaan. ‘Dat zou kunnen’, antwoordde ds. Holland, ‘arme catechisanten…’k Heb goed zaad gezaaid. Soms, als het koren opkomt, kan het door de hitte noodrijp worden. Dit zaad is in de kampen noodrijp geworden…’
Ook na vijftig jaar bevrijding blijft er veel onverwerkt verdriet. Bracht de bevrijding wel bevrijding? Enerlei wedervaart de rechtvaardige en de goddeloze. We mogen geloven dat er onder de gevangenen zijn geweest die de eeuwige vrijheid zijn ingegaan, terwijl bevrijde achtergeblevenen gevangen werden in hun verdriet.

Laten we niet vergeten…

 

Stichting Oktober 44, Midden Engweg 1, 3882 TS Putten