Stichting Oktober 44
  • Oktober 44

    Een aanslag van een verzetgroep bleek voor de bezetter aanleiding tot een vreselijke
    vergeldingsactie...

    Ongeveer 110 huizen werden in brand gestoken...

  • Oktober 44

    Putten was in oktober 1944 het toneel van de ergste wraakactie die Duitsers in de Tweede Wereldoorlog in Nederland hebben begaan.

    Vrouwen gingen de hongerwinter in zonder man.

  • Oktober 44

    Een echte, georganiseerde illegaliteit was er niet in Putten in de eerste jaren van de oorlog.

    Pas in 1944 kwamen enkele groepen tot stand.

Verslag van het onderhoud op 27 februari 1947 met den Heer

O. ELBERTSEN

geboren te Putten 20 Februari 1912;
beroep : bakker;
godsdienst : P.G.

Aanwezig : O. Elbertsen
Mr. J. P. Wildschut   R.v.O.

Het was 6 september 1944, Dolle Dinsdag dus, toen het hier geweldig rumoerig en druk voor de deur was. Duitsche soldaten trokken hier langs terug uit België en zeiden, dat de toestand voor hen onhoudbaar was geworden. Velen waren al in de olie; ze trachtten fietsen te vorderen en zoo meer. N.S.B.ers passeerden op de vlucht met alles wat ze maar mee konden nemen, tot zelfs kippen toe. Die avond was de lucht helverlicht met lichtkogels. De boerderij van den boerenleider werd in brand gestoken; Engelsche vliegtuigen, waarschijnlijk aangetrokken door de lichtschijn, gooiden er toen nog een bom op. Er bleef dus niets van over. Of het vee nog gered is, weet ik niet. Kort daarop doofden de lichtkogels. We lagen nog niet lang in bed, mijn vrouw en ik, toen opeens een vreeselijk geschiet weerklonk. Ik dacht : “Daar zijn de Engelschen!

” Wij sprongen uit bed en gluurden door het raam. Achteraf bleek, dat een Duitsche patrouille van 14 man juist gepasseerd waarschijnlijk, toen een Fordje van de ondergrondsche naderde. De moffen sommeerden de auto te stoppen. Dit gebeurde echter niet; van beide kanten werd toen het vuur geopend. Wij hoorden geschreeuw en gekerm. Ik hoorde zeggen : “.... dan is hij van zijn lijden af.” Ook zag ik het autotje heel langzaam hortend en stootend verder rijden. Ik wist niet wat ik doen moest. Immers, nog steeds was mij niet bekend, wat er gebeurd was. Er bleken negen gewonden te zijn. Deze werden aan de overkant binnengedragen, bij Donker. Zeven toevallige passanten werden aangehouden. De toenmalige burgemeester, Klinkenberg, woonde vlakbij. Door de goede elementen in het dorp werd hem gevraagd, wat hij als hoofd van de politie wilde: paniek of rust. De burgemeester gaf daarop de leiding over aan de plaatselijke politie. Verder deed hij wat hij kon, om gevolgen te voorkomen. Harderwijk werd opgebeld en spoedig arriveerde een vrachtauto met moffen. Grondige huiszoeking volgde. Ik was doodsbang, toen ze ook bij mij kwamen. Ik gaf ze maar een zakje met koekjes en was blij, toen ze weg waren. De gewonden werden naar Harderwijk gebracht. Represailles volgden niet, daar aan de Duitschers aannemelijk werd gemaakt, o.a. Door twee jachtopzieners, dat de auto niet met ondergrondschen bezet was geweest, maar dat een Duitsche patrouille op de Duitschers was gestuit en dat toen Duitschers op Duitschers geschoten hadden. Ik vergat nog te vertellen, dat een band van de auto lek geschoten was. In de daarop volgende dagen waren er steeds geruchten over razzia’s.

Bij mijn thuis woonden mijn neef, die ook bakker is en in die tijd met mij samen deed ter besparing van brandstof, en een student Riphagen. Deze student was ondergedoken nadat hij geweigerd had de loyaliteitsverklaring te tekenen. Hij verdiende zelf zijn studie; zijn ouders woonden hier in de buurt en leefden van een klein pensioen. Eerst was hij bij een boer ondergedoken; dit werd hem echter te duur. Ik nam hem toen bij mij in de bakkerij met de afspraak, dat hij voor niets bij mij in de kost kon komen en dat hij zijn bonnen aan zijn ouders kon laten, wanneer hij mij in de zaak wilde helpen. Ik had toen nl. nog maar eén knecht. We waren met z’n vieren. Nooit heb ik een prettiger tijd gehad en een betere onderlinge verstandhouding dan met mijn neef en dezen student.

Zoo komt dan 1 October 1944. Die dag was ik al vroeg op om het vee te voeren. Ik had mijn Zondagsche kleeren aan. Om ongeveer half negen kwamen de meisjes van de buren en vertelden , dat alle mannen zich moesten melden. Ik dacht toen: ik werk voor de voedselvoorziening. Mij gebeurt niets. Bovendien, als ze gijzelaars pakken, dan nemen ze toch zo’n klein bakkertje niet; ik stond ook niet bekend als een reuze zwarte piet, voor bonnenzwendel, clandestien slachter of iets dergelijks. Ik liep ens naar de straat en zie in de richting Ermelo een heeleboel Duitschers. Terug achter het huis hoor ik plotseling een vreeselijk lawaai op straat. Ik gauw achter het kippnhok. Juffrouw Ris, de onderwijzeres, die toevalig langskwam, vroeg ik: “Ga eens bij Schipper, den gemeente-secretaris, mijn buurman, vragen wat er is.” Daar zag ik namelijk een Duitsche auto voor de deur en Duitsche en Hollandsche politie naar binnen gaan. Zij vond dit echter te onbeleefd en was niet te bewegen te gaan vragen. Achteraf was dat maar goed ook want iedereen, die daar binnenkwam, werd vastgehouden. Dat wisten wij toen echter nog niet. Ik sloop daarna de achterdeur van mijn huis in. Ik zag enkelen terugkomen uit de kerk. Een ouderling zei : “Het is gewenscht en beter, dat mannen van 18 tot 50 jaar naar huis gaan en thuis blijven.” Door de ramen glurend, zag ik plotseling Postma en Goedvree over de weg opgebracht worden in de richting van het dorp.

Overal hoorde ik schieten. Daarachter kwam een ladder door burgers gedragen. Daarop lag de heer Wermeskerken, die gedood was. Ik dacht toen nog, dat dit maar schijn was en niets dan een intimidatie-poging. Op zolder had ik een schuilplaats, daarin kroop ik weg. Ik zei tegen mijn vrouw: “Zeg maar, dat ik naar de kerk ben.” Mijn vrouw sprak even later de vrouw van luitenant Otten, die hier vlak achter woonde. Deze laatste vertelde, dat er twee Duitschers gedood waren en dat elk uur 20 gijzelaars doodheschoten zouden worden zoolang de daders zich niet meldden. Daarop kwam Struis, een politieman, en zei, dat alle ramen gesloten moesten worden. Een angstaanjagende stilte heerschte op straat. Vanuit mijn schuilplaats hoorde ik opeens mijn vrouw roepen: “Kom eens gauw, daar komen de eersten aan!” Het waren mannen, vrouwen en kinderen. Wij dachten, dat zij de mannen weg mochten brengen. Weer een andere groep, daar was ook de gemente-secretaris bij. Die middag at ik niet; ik had er niks geen trek in. Mijn vrouw zette het eten voor mij weg op de oven, dat is altijd nogal gemakkelijk in een bakerij. Een jongen, die aan de overkant van de straat woonde en naar hier gekomen was om iets te vertellen, was nog steeds bij ons (hij durfde niet meer over te steken) en at nu mee. Ik bleef in mijn schuilplaats, hoewel iedereen naar de kerk ging. Wij zagen kennissen, klanten enz. Niemand kwam terug. Wat zou er toch zijn?

Het was inmiddels half drie geworden. Ik ging maar eens eten. Ik voelde me alleen, nu alles zoo wegtrok. Opeens kwamen moffen en ook politie voor de bakkerij-deur. De politieman Albers was er bij; dezen kende ik heel goed. Hij zei : “Je moet je melden op het Kerkplein. Maak haast, je moet er voor half vijf zijn.” Hij zei het zoo, dat ik de indruk kreeg, dat hij mij raadde te gaan. Immers, anders had hij best iets kunnen zeggen als: “Ik moet je melden, dat je naar het Kerkplein toe moet” of zoo. Dit deed hij niet. Ik ben dan ook gegaan, omdat ik vertrouwen in hem had, want ik was het heelemaal niet van plan. Waren de moffen alleen gekomen, dan had ik het zeker niet gedaan. Er zou me ook niets gebeurd zijn, achteraf beschouwd, wanneer ik rustig in mijn schuilplaats was gebleven. Er is zelfs geen huiszoeking meer bij mij thuis geweest. Mijn vrouw mocht bij de kinderen thuis blijven. Albers wou ook nog hebben, dat ik mijn zoon meenam, maar de Duitsche soldaten zeiden, dat als mijn vrouw thuis mocht blijven, de kinderen ook niet hoefden te komen. Dat was voor mij een heele geruststelling. Albers heeft mij niet geprest om naar de kerk te gaan, dat kan ik niet zeggen, maar hij was erg zenuwachtig, dat waren ze blijkbaar allemaal. Ik vertrouwde hem en ik dacht: “hij zal mij niet slecht raden”, want ik vond hem wel een sympathiek man.

‘s Morgens was het zoo geweest: van de Landwacht en de politie hadden de Duitschers allen gevangen genomen. Alles stond op het weiland bij de Oldenaller. Een familielid van mij, v.d.Bunt, heeft mij dat later verteld. Ze hebben de politie echter weer vrij vlug weer losgelaten die ochtend; een hooge piet van de Duitschers heeft hun toen gezegd, dat ze allemaal assistentie moesten verleenen, anders werden zij opnieuw gearresteerd. De Lange heeft mij dat verteld. Als zij niet genoeg mannen zouden vangen, zouden ze dus weer vastgehouden worden. - Er zouden in ieder geval heel wat levens gespaard zijn gebleven, als de politie niet zoo actief was geweest. Eigenlijk voelde het heele corps wel, dat het niet heelemaal in orde was en dat de mannen bij de kerk zouden worden vastgehouden. Er waren anders misschien wel meer dooden gevallen, maar ze hadden zeker niet zooveel menschen gevangen genomen. Ik wil U wel zeggen: als de politie er niet geweest was, dan was ik nooit gegaan !
Ze hebben hun leven en hun huis gered ten koste van een ander; dat heb ik altijd gezegd en dat zeg ik ze nu ook nog openlijk. Geen enkele politie-agent heeft moeite gedaan om iemand vrij te krijgen; ze hadden het toch althans kunnen probeeren. Haitsma van de gemeent heeft dat wel gedaan: die heeft Donderdag nog getracht, een lijst van 50 personen binnen te krijgen in het kamp van Amersfoort, maar de puttenaren waren net een dag op transport, op weg naar Duitschland. Hij kwam een dag te laat ....

De moffen, die Albers vergezelden, deden verder niets. Ik moest alleen mijn persoonsbewijs meenemen. Dus ging ik nu maar. Ik liep met de stroom mee. De buren, van wie ik wist, dat zij zeer fel anti waren, gingen ook. Dit stelde mij enigszins gerust, hoewel het mij opviel, dat niemand in tegengestelde richting terugkwam. Ik had toen nog best kunnen vluchten.
Op het Marktplein gekomen zag ik op elke honderd meter wachtposten met machinegeweren. Ik had toen door, dat ik niet meer terug kon. Eerst konden we nog vrij rondloopen; later werden we in de school gedouwd. Ik sprak daar o.a. den zoon van den molenaar, die in zijn optimisme tegen mij zei:”We komen zoo vrij, want na 8 uur mag je niet meer op straat.” Er was daar geen kans om weg te komen. Opeens zag ik ook mijn broer uit Utrecht. Ik wrong mij naar hem toe. Hij wilde Zondagmorgen ongeveer 10 uur al naar mij toe komen om brood te halen en is toen gepakt.
De heele nacht hebben we toen gezeten. Het was een vreeselijke nacht. We hadden dorst en konden haast geen plaats om te zitten vinden. - De vrouwen werden die Zondagavond vrijgelaten om een uur of acht. Ze moesten zich de volgende dag opnieuw melden. - Van de school werden wij overgebracht naar de kerk. De dominee liet ons toen ‘s nachts nog een psalm zingen. Mijn broer en ik zochten in de school al en plaatsje om ons te verbergen. We keken in het kolenhok en overal, maar nergens was iets te vinden.
Later kwam een Duitsch officier met luitenant Otten het schoollokaal binnen. Otten vertelde toen van de overval bij de Oldenallersche brug. De mededeeling werd hierbij gevoegd, dat, wanneer de daders zich zouden melden, de anderen onmiddellijk vrij mochten. Later werd dit nog eens gezegd. Niemand meldde zich echter. Maatregelen werden genomen. Veertig mannen, waarvan men zei, dat ze hadden willen vluchten, werden apart gezet. Alle anderen moesten Maandagochtend aantreden om de kerk heen. Ik dacht:”Nu worden we doodgeschoten.” Maar weer gingen we de kerk in. Een man viel flauw en moest weggedragen worden. Ik dacht : “Dat is nog een kans voor mij om te ontvluchten.” Ook dit viel tegen. We zaten nog steeds in de kerk, zelfs de dominee (Ds. Holland) van 65 jaar mocht niet weg. Geen enkel onderscheid werd gemaakt. Ik wilde nog wegkruipen in de toren, doch ook dit bleek ondoenlijk. Mijn neef zei maar steeds : “Wat zullen ze ons maken !”, hij lachte maar. Allemaal werden we toen op het Marktplein opgesteld. Persoonsbewijzen moesten gereed gehouden worden. Overal stonden de mitrailleurs opgesteld. We dachten toen weer, dat we doodgeschoten zouden worden. Ook de vrouwen zagen dit en velen vielen flauw. Nu werden de vrouwen weer in de kerk gedreven. Mijn vrouw mocht gelukkig naar huis. De zusters Hop, Joustra en Heystek brachten eten rond.

Plotseling traden vier menschen naar voren om te melden, wat zij gezien hadden. Hierbij waren van Ekelen en Wijdgraaf; zij beiden hadden die nacht een auto heen en weer zien rijden langs de spoorlijn. Ook meldden zich twee boeren, die beweerden, menschen te hebben zien sluipen; de namen van deze laatsten weet ik niet.
Toen werd ons gevraagd, of er ook N.S.B.ers onder ons waren. Ieder probeerde los te komen, zelfs door te zeggen b.v., dat een broer aan het Oostfront streed. Soms lukte dit, soms niet.
Nu gingen we op weg naar het station, na eerst nog bevel gekregen te hebben, dat bij de order “hinlegen” ieder onmiddellijk moest gaan liggen. Ontkomen was onmogelijk. Mijn vrouw bracht mij aan de trein nog een paar brooden. Ik dacht toen : “In ieder geval houden we nu het leven nog wel.” Ik wist natuurlijk niet, wat de toekomst zou brengen en dat ze allemaal in Duitschland zouden omkomen. Ik dacht nu, dat wij in leven zouden blijven, omdat ze ons op dat moment niet doodschoten. Verder dacht ik niet, behalve deze geruststellende gedachte : “We brengen er het leven nog wel af.” Aan dwangarbeid in Duitschland en dat de meesten daar hun dood zouden vinden, heb ik toen geen seconde gedacht.
Daar bij het station kregen we van onze vrouwen nog het bericht door van de vernielingen, die plaats zouden vinden.
In Amersfoort gingen we uit de trein; we moesten loopen in rijen van vijf. We wisten niet, waar we naartoe gingen. We liepen allemaal in verschillende kleedij (het was immers Zondag, toen we opgepikt werden, zoodat sommigen, die vroeg gepakt waren, hun daagsche kleeren nog aan hadden; anderen niet) in de richting van het kamp. Op straat was niemand; zelfs wanneer menschen vor de ramen keken, werd op hen geschoten. Het was zooals we dachten: we gingen naar het kamp.

In het kamp aangekomen vroeg ieder ons, waar we vandaan kwamen. Voor mij gebeurde er daar in het kamp niet veel bijzonders. Het eten was niet zoo slecht. Na tien dagen dacht ik : “We komen hier niet meer uit.” Het eten was niet zoo slecht, alleen zat er veel te weinig vet in; ik lustte het echter best. Er waren velen, die nog zeiden : “dit of dat lust ik niet” en die steeds maar vonden, dat hun vrouw het beter klaarmaakte. Ik zei altijd : “Als het eten hier zoo blijft, dan mogen wij niet mopperen.”, want het was werkelijk heel goed voor de omstandigheden. Wij kregen bovendien ook Roode-Kruis-pakketten. Ik had altijd een reserve en heb zoo zelfs eens een half broodje kunnen weggeven. Ik zag steeds aankomen, dat het eens zou gebeuren, dat we een dag geen eten zouden krijgen of dat wij weggevoerd zouden worden; daarom wilde ik altijd iets van voedsel bewaren. De meesten hadden hiertoe echter niet de kraht en aten alles meteen op. Zoodoende had ik, toen wij op transport gingen, twee brooden en een stuk boter. Een paar boterhammen heb ik meegenomen, de rest heb ik achtergelaten in de wagon, van waaruit ik de groote sprong waagde. De anderen hebben het echter niet gevonden; dat hoorde ik later van Van Lubbersen, die in dezelfde coupé zat. Hij vertelde mij ook, dat de moffen reuze kwaad waren geweest, toen wij eruit gesprongen waren. De anderen mochten niet meer bij de portieren zitten (die hebben ze leter dichtgebonden) en e mochten niet meer praten. In Almelo heeft de trein een tijdje stilgestaan en toen hebben ze gezegd, dat als er nog meer menschen uit de trein zouden springen, dan zou een van de achterblijvenden worden doodgeschoten. Dat hebben ze in Apeldoorn niet gezegd; dat zeggen ze nu wel, maar dat is positief niet waar. Anders had ik het zeker niet gedaan.

Woensdag 11 October was er na het ontbijt appèl en werden we allemaal geteld; het appèl duurde tot na de middag. We moesten alle kampspullen inleveren. Vluchten was toen onmogelijk. De kampcommandant liep maar te schreeuwen. Tegen de avond gingen we naar het station. Op iedere meter afstand stond daar een Duitscher naast de trein. Ik dacht nog steeds aan vluchten, want ik wilde naar mijn kleinen jongen thuis. Ik kon het niet van me afzetten, dat ik van den jongen weg moest. We moesten daar in Amersfoort in een gewone trein (de trein van Putten naar Amersfoort bestond uit beestenwagens). We werden als het ware de trein ingeslagen. Met zijn twaalven zaten we in een coupé. De ramen waren allemaal dicht. In de gang liep steeds een Duitscher en ook zat in elke coupé een Duitscher. Deze laatste vertelde ons, dat wij naar Duitschland werden gebracht om te werken. We reden in de richting Stroe, dus dat kon wel eens waar zijn. Holland was volgens hem krijgsgebied en alle mannen moesten daarom weg.
Ik zat no. 2 van het portier af. De jongen, die naast mij zat, B. Cornelissen uit Bijsteren, wilde er ook uitspringen. We hadden afgesproken, er samen uit te springen. Ach je moest je niet indenken, dat het een gewone reis was van Amsterdam naar Amersfoort of zoiets. Het was natuurlijk levensgevaarlijk, want als de trein gestopt had en ze hadden ons te pakken gekregen, dan waren wij onherroepelijk doodgeschoten.
De meeste angst had ik niet voor de mof, die bij ons in de wagon zat, maar er kwamen nog een stuk of zes wagens achter ons aan, ook met moffenbewaking. Die hadden zaklantaarns en daar schenen ze maar mee over de spoorbaan. Daarvoor had ik veel meer angst.
In Stroe en Apeldoorn stond de trein wel een paar keer stil en hoewel ik vastbesloten was de sprong te wagen, voelde ik mij doodsbang, dat de trein ook net weer zou stoppen als wij er uitgesprongen waren en dat zou ons toch het leven gekost hebben ....

Het toeval wilde nu, dat mijn buurman aan het raampje vroeg om te ruilen, omdat hij het op zijn plaats te veel vond tochten. Al die tijd liep ik al rond met onvluchtingsplannen. Ik had daarom ook brood bewaard om een kleine reserve te hebben. Steeds had ik geen kans om te springen. Na Apeldoorn werd de snelheid van de trein te groot. In doodsangst deed ik toen opeens het portier open. De knop had ik van tevoren al naar beneden gedrukt. Dat kon, omdat ik naast het portier was komen te zitten. Zonder dat ik wist wat ik deed, althans niet bewust, sprong ik uit de trein, notabene tegen de richting van de trein in. Ik viel met een boog voorover en kwam met mijn hoofd op de rails van de tweede spoor terecht. Verder weet ik niets meer. De jongen, waarmee ik sprong, was achter mij aangekomen. Van hem hoorde ik later, wat er met mij gebeurd was. Ik zelf was bewusteloos en lag dwars over de spoorlijn heen, terwijl ik vreselijk bloedde. Mijn metgezel heeft eerst geroepen en toen hij geen antwoord kreeg, is hij gaan zoeken. Onze trein was zoo uit het gezicht verdwenen. Hij vond mij spoedig en sleepte mij naar de kant. Op dat moment kwam er een trein uit de andere richting langs. Was hij niet achter mij aangekomen, dan zou ik vermorzeld zijn. Cornelissen droeg mij door het bosch naar Twello. Daar aan de straatweg werd hij aangeroepen door een Duitscher, die vroeg wat we deden en wie we waren. Cornelissen holde weg. De mof schoot nog op hem. Cornelissen zag, dat ze mij meenamen naar een Duitsche garage in de buurt. Hij was namelijk vrij gauw omgekeerd en terug geslopen, omdat hij mij niet zoomaar in de steek wilde laten. Toen hij daar in het bosch verdekt opgesteld zat, zag hij, dat de moffen mij weer teruglegden bij de boom en zelf verdwenen. Hij heeft er toen nog ernstig over gedacht weer naar mij toe te gaan, maar gelukkig heeft hij van dit plan afgezien. Dit was te duidelijk een list om hem in handen te krijgen. De moffen belden daarna de politie op en ook een dokter. Ik werd na enige tijd weer teruggebracht naar de garage. Hier kwam ik bij kennis en vertelde op hun vraag, dat ik uit de trein gevallen was. Ik werd nu naar het politiebureau gebracht. In Apeldoorn werd de S.D. Opgebeld, later bleek dit de Feldgendarmerie te zijn.

Nu bracht men mij naar het ziekenhuis per fietsbrancard. In het ziekenhuis werd ik onder strenge bewaking gesteld; elke vier uur kwam er een andere agent bij mij de wacht houden, soms bij mijn bed, soms voor de kamerdeur. Mijn vrouw mocht mij bezoeken; zij had al uitgekeken naar weggetjes, die ik op een eventueele volgende vlucht, wanneer ik hersteld zou zijn, zou kunnen nemen. Ik was gewond aan mijn voorhoofd. Het voorhoofdsbeen was links ingedrukt, een oogspier beschadigd, zoodat mijn oog aanmerkelijk lager zat dan normaal. Het is nog duidelijk te zien. Het had maar heel weinig gescheeld of ik had een oog moeten missen. Ik heb dus nog geluk gehad. Na eenige tijd kreeg ik als bewaker een agent, dien ik kende : A. Klein Beekman, Klokstraat 28, Apeldoorn, voorheen in Nijkerk. Hij wilde mij helpen eruit te komen. Daarom ging hij naar de Feldgendarmerie en zette mijn lezing van het geval (namelijk dat ik mij vrijwillig vor Duitschland gemeld had en uit de trein gevallen was) bij deze lieden kracht bij. Zij dachten er eerst niet over, mij vrij te laten, maar per slot kreeg de agent het zoo ver, dat ik vrijgelaten werd wanneer hij zich borg stelde voor mij. Hij moest verzekeren, dat ik geen anti-Duitsche activiteit bedreven had of bedrijven zou. Mocht op den duur anders blijken, dan zou hij voor mij opgepakt worden. Tevens moest ik mij, wanneer ik hersteld was, melden en dan voor de Wehrmacht gaan werken. Ook aan dezen agent heb ik dus mijn leven te danken. Immers, dit werd goedgevonden en zoo kwam ik na vier weken ziekenhuis weer thuis.
Nu achteraf beschouwd, moet ik U zeggen, dat ik natuurlijk ook om mijn vrouw, maar vooral om mijn zoontje, die toen vier jaar was en geregeld in de bakkerij om mij heen speelde, de moed heb gevonden om uit de trein te springen. Ik had natuurlijk een reusachtig heimwee naar mijn zoontje. Weet U wat het is : van mijn vrouw wist ik : die redt zich wel, die slaat er zich wel doorheen, maar zoo’n jongetje begrijpt er niets van.


Stichting Oktober 44, Midden Engweg 1, 3882 TS Putten