Stichting Oktober 44
  • Oktober 44

    Een aanslag van een verzetgroep bleek voor de bezetter aanleiding tot een vreselijke
    vergeldingsactie...

    Ongeveer 110 huizen werden in brand gestoken...

  • Oktober 44

    Putten was in oktober 1944 het toneel van de ergste wraakactie die Duitsers in de Tweede Wereldoorlog in Nederland hebben begaan.

    Vrouwen gingen de hongerwinter in zonder man.

  • Oktober 44

    Een echte, georganiseerde illegaliteit was er niet in Putten in de eerste jaren van de oorlog.

    Pas in 1944 kwamen enkele groepen tot stand.

Putten 23 Mei 2007

Kom vanavond met Verhalen.

Beste vrienden, sympathisanten van de Stichting Oktober 44.

Het Bestuur van de Stichting heeft mij gevraagd om te vertellen hoe ‘wij als gezin dat alles ervaren hebben.’
En dat is een typisch Puttense vraag. ‘Dat alles’, zei het bestuur. Hier in Putten weten we precies wat we daarmee bedoelen. Als ik een leeftijdsgenoot uit Putten vraag: ‘Waar was jij die nacht?’ dan zegt Gretha niet: ‘Wat bedoel je?’ maar zonder aarzelen zegt ze: - ‘In de droge sloot achter de schuur!’  Over de feiten hoef ik jullie niets te vertellen. Jullie weten dat allemaal. Het gaat om mijn verhaal. Mijn ervaring en mijn gevoelens. Verhalen onthullen soms meer waarheid dan de feitelijke geschiedenis. Een geschiedenisboek lees ik met droge ogen, maar voor mijn verhalen geldt het gedicht van Leo Vroman:

Kom vanavond met verhalen
Hoe de oorlog is verdwenen
En herhaal ze honderd malen:
Alle malen zal ik wenen.


Voor ik met mijn eigenlijke verhaal begin wil ik twee opmerkingen maken.

* Toen ik onlangs meedeed met het 100-jarig jubileum van de school hier aan de Papiermakersstraat, de school van mijn Vader, zei ik tegen Wieke (mijn vrouw en vriend): - ‘In al die kindherinneringen van mij was het altijd mooi weer. Ik heb maar één herinnering dat het regende. Ik ben hier gelukkig geweest. ‘ En ik ben nu weer gelukkig. Ondanks een zwaar litteken. Ik ben gauw ontroerd als het gaat over vroeger, dat zult u merken. Ik wil dat graag hardop zeggen, voor ik over dat zware litteken ga praten. De vraag van het Bestuur is eigenlijk: ‘ Vertel over dat litteken.’ Dat is een pijnlijk gebeuren. Maar ik weet dat jullie hier allemaal zo’n litteken hebben. Daarom kan ik hier dingen zeggen die ik nog nooit in het openbaar gezegd heb.

* De tweede opmerking gaat over ons gezin. In de zomer van 1944 waren we thuis met z’n zessen. Vader ( 45 jaar), Moeder ( 44 jaar) en vier zonen: Herman (net 20 jaar), Wim (18 jaar), Reik (16 jaar) en Henk (14 jaar) Ik ben nog klein van postuur, de kleinste van de klas, met een bol rond kopje. Hier, in mijn hoofd zit het vol plaatjes en taferelen. Ik zie ze, maar ik kan ze niet op een scherm projecteren. Ik kan alleen maar woorden zoeken om ze te vertonen.

Dan volgt nu mijn verhaal:

Deel I (1944- 1946)

14 september 1944.

Ik ben 14 jaar en 14 dagen. We wonen in dat heerlijke grote huis naast de school aan de Papiermakersstraat. Mijn vader is daar bovenmeester. Ik ben die morgen vroeg wakker. Reik en ik slapen bij elkaar. Om hem niet wakker te maken sluip ik ons kamertje uit, laat me langs de trapleuning naar beneden glijden en loop de gang door. De deur van de studeerkamer van mijn Vader staat open. Ik loop zachtjes naar binnen. Pa zit achter het bureau te lezen. Alsof hij daar de hele nacht gezeten heeft. Ik ga naast hem staan. - ‘Wat doet u?’ - ‘Ik lees in een krantje een mooi gedicht.’ Hij laat het gedicht zien. Hij wijst een regel aan: - ‘Ken je die regel?’ Hij leest voor: ‘Wij slaan het oog tot u omhoog’ Ik ken die regel Ik heb dat lied van mijn vader geleerd: O Heer die daar des hemels tenten spreidt. Een vaderlands lied. Alle vaderlandse liederen leerde ik van hem, ook het Wilhelmus, alle 15 coupletten. - ‘Dat moet je goed onthouden: ‘Wij slaan het oog tot U omhoog’ Hij slaat zijn arm om mijn schouder en trekt me naar zich toe. - ‘Maar wat doe jij zo vroeg hier? ‘ Ik vertel hem dat ik vannacht telkens een vliegtuig heb gehoord, dat vloog heel laag over. En er waren ook lichtkogels in de richting van de buurtschap Huinen. -‘Wat is dat toch?’ -‘Kun je een geheim bewaren? ‘ Ik knik. Voor mijn Vader wel.
-‘Er zijn vannacht vermoedelijk wapens gedropt voor het verzet. Het duurt niet lang meer, dan is de oorlog afgelopen. Dan steken we de vlag weer uit. Maar nu moet je nog maar weer gaan slapen.’  Hij knuffelt me. Ik ga met een warm gevoel naar boven. Reik wordt wakker en gromt: ‘Wat doe je?’ Maar voor ik iets kan verzinnen slaapt hij alweer. Met een gelukkig gevoel kruip ik bij hem in bed en val ik in slaap. Mijn Vader!

Drie dagen later, op zondag 17 september, is de luchtlanding rond Oosterbeek. Als we het nieuws horen kijkt mijn vader mij aan en knikt: ‘Zie je wel!’ Twee weken later is het ook zondag:  1 oktober.

Heel veel later heb ik het gedicht teruggevonden. Ida Gerhardt, het Carillon. Oorlogsjaar 1941. Het heeft in de oorlog in verschillende verzetskrantjes gestaan. Verschillende regels komen in ons land voor op monumenten en in klokkentoren. Ik lees het jullie voor:


HET CARILLON

Ik zag de mensen in de straten,
hun armoe en hun grauw gezicht, --
toen streek  er over de gelaten
een luisteren, een vleug van licht.

Want boven in de klokketoren
na ’t donker-bronzen urenslaan
ving, over heel de stad te horen,
de beiaardier te spelen aan.

Valerius:  -- een statig zingen
waarin de zware klok bewoog,
doorstrooid van lichter sprankelingen,
‘Wij slaan het oog tot U omhoog.’

En één tussen de naamloos velen,
gedrongen aan de huizenkant
stond ik te luist’ren naar dit spelen
dat zong van mijn geschonden land.
Dit sprakeloze samenkomen
en Hollands licht over de stad –
Nooit heb ik wat ons werd ontnomen
zo bitter, bitter liefgehad.

Oorlogsjaar 1941

Uit: Ida Gerhardt: Het Veerhuis 1945



II

1 oktober 1944

Het begint als een spannend jongensboek. Ik herinner me dat ik die zondag op een bepaald moment gedacht heb: nu kan ik ook een boek schrijven. Het is onrustig in het dorp. Mijn moeder en ik zijn naar de kerk geweest. Later, onder het eten vertellen de jongens wat ze die zondagmorgen gezien en gehoord hebben. Schieten en veel soldaten. Ze waren achter in de (hele grote) schooltuin geweest. Daar zagen ze iemand wegvluchten. Na het eten gaat Herman water halen. Onze elektrische waterpomp doet het niet meer, er is geen elektriciteit meer. Dus halen we water uit de schoolpomp. Achterin de tuin is de nooduitgang van de school. Die is altijd open en zo kunnen we bijna ongezien water halen. Dan opeens: Rettettet, rettetet. Verschillende salvo’s. Van af de weg, opzij van onze tuin, - ‘Ze schieten! ’ zegt mijn vader. ‘Wie is er in de tuin? Waar is Herman? Is Herman water halen?Dan schieten ze op hem. Weg van voor de ramen.’ Hij heeft het nog niet gezegd of een stuk of vijf soldaten rennen via het schoolplein de achtertuin in.  Ze schreeuwen, zoals soldaten dat altijd doen als ze op mensen jagen. Ze rukken de schuurdeur open en schieten naar binnen. Mijn vader loopt naar de voordeur en kijkt of er nog meer soldaten zijn. Hij wenkt Wim: -‘Jij door de tuinen aan de overkant naar het huis van juffrouw van Boeijen.’ Wim stormt weg. Ik sta in de gang. Wim heeft zijn zondagse pak aan, grijs geruit. Ik zie hem over de hekjes klimmen. Dan gaat mijn Vader naar de achterkant van het huis, naar de soldaten. Ik loop achter hem aan.

De soldaten speuren nog steeds en schreeuwen naar mijn vader. Die steekt rustig zijn handen op en spreekt met hen in hun eigen taal. Ze hebben partizanen gezien, schreeuwen ze. Pa schudt zijn hoofd en glimlacht. Dan wijst hij naar mij. ‘Wasser holen!’ En hij legt uit dat ik net water gehaald heb en dat ze dat jochie misschien voor een partizaan aangezien hebben. Ze loeren nog wat rond, die soldaten, en verdwijnen dan weer richting de markt. Ik ga naar binnen. - Oh God, Herman’, bidt mijn moeder hardop. Pa blijft buiten staan bij de achterdeur en speurt in de tuin. Dan opeens ziet hij wat bewegen. Op het platte dak van de school, tussen het klimop verschijnt een hoofd, Herman. Hij is,toen het schieten begon, razend snel weggedoken, de school in gerend, aan de andere kant door één van de ramen naar buiten geklauterd en op het dak van de school geklommen. Dat deden we zo vaak. Alle jongens uit de buurt wisten hoe dat moest. Herman zwaait voorzichtig. Mijn vader wenkt dat alles weer veilig is. Een poosje later verschijnt van tussen de struiken in de tuin Hermans gezicht. Hij komt veilig binnen. Hijgend en een beetje bleek. Reik en ik kijken hem vol bewondering aan. - ‘Hoe heb je dat voor elkaar gekregen? vraagt Reik. - ‘Jongen’, zegt mijn moeder, ‘je mag God wel danken dat je gespaard bent’ Herman knikt. Op dat moment wordt er gebeld aan de voordeur. Er staat een Duitse soldaat op de stoep en een politieagent. ‘Mitkommen’. ‘Naar de markt. Niemand achter blijven. alle huizen worden doorzocht.’ ‘U moet het maar doen’, zegt de agent. ‘Dat is het veiligst’. Dus gaan we. Voor goed.

III

Veel uren later.

Het is donker als we weer thuis komen. We zijn moe. Mijn moeder, Reik en ik waren in de kerk. We gaan in de keuken zitten, bij een olielampje. De luiken zijn dicht. We hebben dorst, erge dorst. Uren zaten we in de kerk. Dan overleggen we. ‘Morgen terugkomen’ is het bevel, ‘met eten voor de mannen’. Misschien gaan ze dan ook huiszoeking doen. ‘We moeten alle verdachte papieren verwijderen. En waar is de radio?’  Ik weet waar de radio verstopt is. Bij het verstoppertje spelen in huis had ik een doos gevonden, op de vliering. - Henk, jij haalt de radio, Reik en ik gaan het bureau van Pa doorzoeken.’ Met een platte zaklantaarn in mijn mond kruip ik even later op mijn buik over de vliering. Eén misstap betekent door het zachtboardplafond van de slaapkamer zakken. Ik sleep de doos achter me aan. Als ik beneden kom staan Moe en Reik nog bij het bureau. Er is van alles. Foto’s van de koningin, verzetskrantjes, ook dingen die ik niet begrijp. We verbranden alles in het kolenfornuis in de keuken. - ‘Wat doen we met de radio?’ vraagt mijn moeder. - ‘In de waterput gooien’, zegt Reik. Mijn moeder doet voorzichtig de achterdeur open, ik beur de deksel van de put op die vlak naast de achterdeur is. Reik gooit het ding er in. We schrikken van de luide plons. Voorzichtig laat ik de deksel weer zakken. We sluipen naar binnen. Het is laat geworden. -‘We gaan naar bed’, zegt Moe. ‘Morgen wordt misschien een zware dag’. Die nacht slapen we met z’n drieën in één bed. Dicht tegen elkaar.

We zullen nog veel nachten in één bed slapen, dicht tegen elkaar.

IV

Maandag 2 oktober 1944

De volgende morgen zitten we al bijtijds klaar om naar de markt te gaan, met eten voor de mannen. Het is mooi weer. De zon schijnt. Ik hoor stemmen bij de voordeur. Moe kijkt om de hoek van de keukendeur. - ‘Daar zijn ze! ’ zegt ze. Dus toch, denk ik blij want ik weet zeker dat Pa en de jongens weer terug zullen komen. Maar even later komen drie soldaten de keuken binnen. Ze hebben zo’n dorst. Of ze wat drinken mogen. Ik pak drie bekertje uit de kast en vul ze met water. Het ene bekertje lekt. We lachen wat. Mijn Moeder zegt:- ’Mijn man en twee zonen zitten vast, op de markt.’ De soldaten kijken ernstig en knikken. ‘Traurig, ’ zeggen ze. We moeten gaan. We laten de soldaten in de keuken zitten en  lopen naar de markt. Overal staan soldaten. Hun mitrailleurs liggen schietklaar op de grond. Dezelfde mitrailleurs als gisteren in de kerk, vanaf de galerij.  Ik heb een schaal met appelmoes in de hand, met een theedoek er om heen geknoopt. Eten voor Pa. Als we bij de markt zijn moeten we stoppen en lang wachten. De mensen dringen op elkaar. Na een poos worden we weer teruggedreven de Papiermakersstraat weer in, tussen de mitrailleurs door. Overal soldaten met geweren, schietklaar. We lopen met z’n drieën naast elkaar, Moe in het midden. Naast ons loopt een buurvrouw met haar zoontje. ‘Mama, gaan ze ons nu dood schieten’ huilt het jochie. Kinderachtig jongetje denk ik. Omkeren en weer terug naar de markt, weer wachten. We worden de kerk in gedrongen. Na een poos sluip ik weg en klim de trap op naar boven, naar de galerij. Voor het raam kan ik de markt zien. Rijen mannen in een vierkant. Ik zie mijn Vader en Herman en Wim staan.

Op een gegeven moment, oh wonder, kijken Pa en Herman naar boven en zien mij voor het raam staan. Ze zwaaien voorzichtig, ik zwaai terug. Dan opeens is er geschreeuw. Gewapende soldaten stellen zich op binnen en buiten het vierkant. Alle mannen maken een kwart slag om. Ze staan nu in rijen van vijf. Weer geschreeuw. Groepen mannen marcheren af, streng bewaakt. Ik wacht tot ik Pa en de jongens zie afmarcheren. Ze kijken niet meer naar boven. Het laatste wat ik zie is de kaarsrechte rug van mijn Vader, met links en rechts zijn twee oudste zonen. Zo zal ik ze altijd in gedachten zien. Maar ik zal ze nooit weer zien. Als ik beneden kom vertel ik dat ze weg zijn. Nu moet ik even huilen. Veel later wordt het vonnis over het dorp uit gesproken. We haasten ons naar huis. Ik zet de schaal met appelmoes in de voortuin. De bekertjes staan nog precies zo, de soldaten hebben het huis stil verlaten, denk ik. Alles klaar maken, inpakken en wegwezen. Op dat moment komt Gerrie van de Kraats aanrijden met paard en platte wagen. ‘Kom maar bij ons!’ zegt ze. Gerrie woont net ovr de Rijksweg. Moe en ik gaan naar het station. Ik lopend, mijn Moeder op de fiets. Ik heb een doos met kleren op mijn nek. Aan het eind van de Husselsesteeg bij Groot Hussel, kom ik mijn moeder al weer tegen. Ze is op de terugweg. ‘Het is vreselijk’ zegt ze. Dat is het enige wat ze ooit gezegd heeft over wat ze daar zag. Ze neemt mijn doos over en gaat terug naar het station. Ik hol naar huis. De zon schijnt. Er zijn veel vliegtuigen in de lucht. ‘Het word een spannend boek, later’ denk ik. Als ik thuis kom rijdt net Gerrie van de Kraats weg met een wagen vol matrassen en meubels. Reik zit naast haar op de bok. Ik pak ergens een kruiwagen en probeer die vol te laden. Het ding is veel te groot en te zwaar voor mij. Ik ben te klein. Toch lukt het me over de Rijksstraatweg te komen. Ik verlies af en toe wat maar dat kan me niet schelen. Er is geen tijd meer om wat op te halen. Als ik bij het huis van Van de Kraats ben, hoor ik in het dorp schieten en even later harde knallen.

V

‘Die nacht’.

Het huis is vol mensen. Niemand slaapt. Ik loop naar buiten en ga voor het huis staan. De lucht is helder. Aan de overkant van de Rijksweg is vuur. Veel vuur. Dicht bij. Dat kan in de Papiermakersstraat zijn. Ons huis ? Verderop bij de kerk zijn grote wolken en vlammen tegen de hemel. Het hele dorp brandt. Er komt een vliegtuig laag over. Dat begint te schieten op een auto op de Rijksweg. Ik hol naar binnen en duik de kelder in. Daar is bijna niemand. Het is er benauwd. Ik ga weer naar boven. In de kamer zit ik in een stoel. Ik denk dat ik even geslapen heb. Een poos later loop ik weer buiten. Het vuur is heviger. Het hele dorp brandt. De lucht wordt vochtig, het begint te regenen, zo’n trage motregen. Om 9 uur ’s morgens mogen we terug naar het dorp. We lopen gedrieën naast elkaar. Het regent nog steeds een beetje. Bij het eerste huis rechts blijven we staan. Dat wàs een huis. Alles is verbrand. Rook en as. We worden nat. De hemel huilt. Er hangt een geur van rokend hout en verbrand puin. Nog honderd meter en we zijn er. Nog geen vijftig meter verderop is ook een huis afgebrand. Het schoolhuis staat er nog. Er is een ruit van de voorkamer gesprongen door de hitte of de luchtdruk. In de voortuin staat de schaal met appelmoes. Als we binnen zijn gaat mijn moeder ontredderd zitten. - ‘Ons huis is gelukkig gespaard’ zegt Reik, bemoedigend.

-‘Ik had liever dat ze het huis afgebrand hadden en Pa en de jongens vrij lieten’ zegt ze. Ik loop naar buiten en haal de schaal met appelmoes op. Eten voor Pa.

VI

Een week later.

Ik loop bij het snoepwinkeltje van Gerritje van Dasselaaar, vlak bij de markt. Er komt een mijnheer langs  op de fiets. Hij stopt. Hij kan met zijn lange benen  bij de grond. Hij wenkt mij: - ‘Jij bent een Heusinkveld ?’ -‘Ja mijnheer....’ ‘- Zeg tegen je moeder dat ik het vreselijk vind en dat ik erg met haar meeleef.’ Ik herken de man. Het is ‘Jonker Jan’, die zo af en toe bij ons koffie drinkt. Thuis vertel ik het aan mijn moeder. Als ik zeg dat de jonker het erg vindt begin ik opeens te huilen, vreselijk huilen, alsof er van binnen iets scheurt. Alles van de laatste week dringt zich naar buiten. Niemand kan mij helpen. Dan begint mijn moeder ook te huilen: - ’Het is ook zo vreselijk! ’ snikt ze. Ik loop weg, de kamer uit. Nu weet ik het, nooit zal ik meer huilen. Dit wil ik niet. Zeker niet als mijn moeder in de buurt is. Nooit meer!

Ik heb dat dertig jaar lang volgehouden.

VII

Maanden later.

Veel vliegtuigen. Soms schietend laag over ons huis. Kanongebulder nadert. Dan op een nacht granaten, weer een nacht in de kelder. Een granaatscherf slaat een stuk van de schoorsteen weg. En dan is er het moment: Bevrijding. 18 april. Maar dat is geen bevrijding. Het ergste komt nog. De oorlog was een spannend jongensboek, dreigend en verdrietig, er gebeurde van alles. De oorlogsdreiging is nu weg. Nu komt het wachten, wekenlang wachten. Op 10 mei, drie lange weken later, komen de eerste berichten. Er is een lijst van omgekomenen Puttenaren. Twee keer staat de naam Heusinkveld er op. Maar welke twee? Onzeker, onzeker, onzeker !!
Er komt een briefje van een Engelse dominee: Wim leeft nog. Maar zijn dan mijn Vader en Herman dood? Weet dan niemand iets?

Heb ik ze toen bij de kerk op de markt echt voor het laatst gezien?

Begin juni 1945.

Ik sta in de gang. Het is een uur of vijf. Er wordt gebeld. Ik doe open. De postbode. ‘Er kwam net een brief voor jullie binnen. Ik dacht die moet ik maar even brengen.’ Ik krijg een klein gelig envelopje in de hand geduwd. Een briefje uit Duitsland. Mijn moeder maakt het open. Met potlood geschreven. Een briefje van Wim. Wim schrijft dat Herman gestorven is: ‘In volle vrede is hij gestorven’  schrijft hij en ook dat mijn Vader later ernstig ziek naar een ander Lager is overgebracht. Wim wordt vervoerd naar Groningen, een paar dagen later naar Putten in het nood- sanatorium aan de Harderwijkerstraat. Zo zwak, zo mager. Ik heb hem één keer gezien, een half uurtje. Ik kende hem niet terug. Voor mij is hij altijd gebleven, die broer in zijn zondagse pak, grijs met ruitjes.

De volgende dag is hij gestorven.

Hij heeft voor zijn leven gevochten om zijn moeder te vertellen dat het goed met hem was. En dat het goed met Herman was. Hij heeft veel indruk gemaakt op de mensen die hem verzorgden. Daar hebben we brieven over gekregen. Zijn blijmoedigheid, zijn geloof. Ds. Holland leidt de begrafenis. We zitten aan een tafel in de kamer. Er ligt een wit kleed over de tafel. De Dominee leest uit Openbaringen, over de mensen in witte kleden ‘deze zijn het die uit de grote verdrukking gekomen zijn’ . ‘Daar hoort Wim ook bij’, zegt hij. We begraven Wim in Putten op 25 juni. Hij was nog net geen 19 jaar. Ik heb niet gehuild.

Maar mijn vader? Waar is hij? We hebben geschreven naar alle teruggekeerden in Nederland, waarvan wij het adres konden te pakken krijgen. Ik heb zelf in Harderwijk aangebeld bij een teruggekeerde: -‘Mijnheer, weet u ook iets van mijn vader? ‘’ - ‘Wie ben je dan, jongen?’ - ‘Ik ben Henk Heusinkveld, van Meester Heusinkveld uit Putten’. - ‘Nee jongen, ik ken hem maar ik weet niet waar hij gebleven is.’ Bijna allemaal het zelfde. Ook als ik nu (voor deze lezing) de antwoordbriefjes doorlees komt het neer op: Ja, ik ken hem wel maar hij is naar een ander Lager gebracht. Anderen beweren hem te kennen maar halen voortdurend personen door elkaar. Voor mij, nu, zijn er twee betrouwbare berichten:

Hier onze plaatsgenoot: A. Arendse. Er is een brief van hem. Nadat hij vertelt heeft over transporten van hem en van mijn Vader schrijft hij:

Ik heb uw man toen gezien voor ’t eerst op 16 jan 1945 in blok 4 in Neuengamme.Uw man was toen samen met een Belg, maar zijn naam en plaats weet ik niet meer. Daar er steeds meer menschen uitmoesten om te werken, ben ik toen naast Uw man komen te leggen. Hij was toen echt opgeruimd, helemaal niet down, hij hield altijd de moed er in. Hij vertelde me toen ook van het sterven van Uw oudste zoon en van die andere, die in Hamburg in ziekenhuis was als verpleger. Hij beruste er in en het speed me toen de meester wegmoest, het was toen +/- het laatste van Febr, want we hadden echt steun aan elkaar. Waar als toen dat transport heen gegaan is, dat is en blijft een raadsel, niemand weet het. Men zei naar Zwitsersche grens in een Sanatorium voor op te knappen, daar het allemaal zieken waren, die niet geschikt waren voor te werken en ook niet doods ziek waren. (..) Verder weet ik niets meer van Uw man, als toen hij weg ging, nog best in conditie was, ik heb toen nog zijn winterjas van hem gekregen daar ze andere kleren weer eens aankregen.

En vreemd genoeg die Belg. Een paar maanden later komt er via via een boek in ons bezit. ‘Les Triangles Rouge’ heet het, door Omer Haburu . Daar komt ook iets over mijn Vader voor. De hoofdpersoon in het boek is ene Delbard, die in allerlei kampen gevangen heeft gezeten, te beginnen in Vught. Ik lees een bladzijde voor (in mijn vertaling):

De Hollanders waren talrijk in dit blok. Huisinkveld, hoofd van een school in Putten, was een andere bedgenoot van Delbard. Het was een grote stille man. Hij had aan een plank van het bed boven zich, ter hoogte van zijn hoofd, een kleine, verkreukelde foto vastgeprikt. Dat papiertje interesseerde Delbard. Hij vroeg: - Wie is dat? - Dat is mijn zoon, gestorven zo’n vijftig dagen geleden, in mijn armen in het komando in Hamburg. De vader was weggevoerd met zijn twee jongens, samen met bijna alle mannen van het dorp. - Mijn tweede zoon is nog in Hamburg. Ik heb hem net geschreven. De Kapo had inderdaad aangekondigd dat de ‘honden’ een brief van vijftig woorden konden schrijven, maar alleen voor in Duitsland. Huisinkveld was helemaal gelukkig geweest om nieuws te vertellen aan zijn andere jongen. - Huisinkveld

De kapo liet hem roepen. De Hollander kwam kort daarop terug, de lip gescheurd en de wenkbrauw open.
- Wat is er gebeurd?,  vroeg Delbard heel verbaasd om hem onder het bloed te zien.
- Dat was de Kapo.
- Waarom?
- Ik heb mijn brief met potlood geschreven en ik heb gezegd dat ik niet meer dan 48 kilo woog.
- En daarom dit?
- Ja. Met een vuistslag tegen de mond sloeg hij me achterover en ik ben tegen het ijzer van een bed neer geslagen.

 Pa is vermist. Ligt hij ergens aan de kant van de spoorlijn? Is hij vergast? Doodgeschoten? Wij zullen het nooit weten.Later wordt hem als officiële stervensdatum toegekend 28 februari 1945. In ons land kun je beter een gestorven vader hebben dan een vermiste.

VIII

Dan komt het einde van ons wonen in Putten. Het huis is te groot geworden. Met z’n zessen kun je er fijn wonen, maar nu zijn we nog maar met drie. Er staan kamertjes leeg, er blijven bedden onbeslapen, de tafel is te groot, er zijn lege stoelen. We hebben het huis leeggehaald ‘Omdat het een dienstwoning is, voor de nieuwe bovenmeester’ zei mijn moeder en ‘omdat het veel beter is voor de studie van de jongens en omdat...’
We weten wel beter. Het is om de pijn van de doden en het zwarte gat van de vermissing. De vrachtauto komt. Alles wordt ingeladen. Boordevol. De achterklep kan niet dicht. Als we weg rijden zit ik met één van de twee verhuismannen achterop de klep. Dat mocht toen nog. Onze benen bungelen. De verhuizer maakt grapjes. Hij neemt een bezem en probeert de straat te vegen onder het rijden. Alsof hij van alles weg wil vegen. Maar hij kan net niet bij de grond komen. We lachen allebei. Maar veel later weet ik dat je Putten niet kunt wegvegen. De oorlog is voorbij. Ik ben nu 15 jaar. Ik ben levend uit de oorlog gekomen maar de oorlog is niet uit mij gekomen. Het gezin waar ik de jongste van ben is verscheurd.

Hoe kun je met die scheur leven?

Deel II  (1946 – heden)
 

IX

Vorig jaar: Ze steekt haar vinger op, het meisje uit drie Havo. Ik heb net verteld wat er in Putten gebeurd is. Ze is even oud als ik toen was.
- ‘Mijnheer hoe lang duurt het na zoiets voor je weer gewoon kunt leven.’ Een fijn aangevoelde vraag, die alleen onbevangen meisjes kunnen stellen.
-‘Nooit’,zeg ik, ‘ het wordt nooit weer gewoon, maar je kunt wel gelukkig worden!’

’s Avonds wandel ik vaak een ommetje met mijn moeder. De mensen zitten in de kamer onder de lamp, samen aan tafel. Het gordijn open. ‘Waarom doen ze de gordijnen niet dicht’, zegt ze. ‘Dat doet zo’n pijn als ze gezellig bij elkaar zitten.’
Langzaam zakt het verdriet naar de diepere lagen van de ziel. Ik werk en studeer. Ik ben actief in de kerk en het jeugdwerk. Ik word wiskundeleraar. Dat vind ik prachtig. Reik wordt predikant. Met veel pastorale aandacht voor zijn mensen. Mijn moeder vindt haar oude opgewektheid en humor terug. Maar altijd achtervolgt ons Putten. ‘Oh ja, u komt uit Putten hè?’ zeggen ze dan. Soms zeggen ze onbeschaamd er achter: ‘Toe vertel eens?’ Alsof je een buitenlandse reis gemaakt hebt. Dat wil ik niet. Ik kom niet meer in Putten, ik rijd er met een grote boog omheen. En als Prof. Dantzig schrijft en zegt dat het komt door hun geloof, dat er zoveel Puttenaren omgekomen zijn (zo heeft hij het niet gezegd maar zo komt het in het nieuws) dan wil ik helemaal niet meer. Ik wil alles in de vergeetput stoppen. Vergeetputten. Dat duurt 30 jaar. Wij, alle drie, maken ons los van Putten. De 4 mei herdenkingen maken we mee in Loenen, het ereveld van de Oorlogsgraven Stichting. Prachtig verzorgd. Daar liggen in de natuur ongeveer 3700 Nederlanders begraven. Daar is het graf van Wim, herbegraven vanuit Putten. Daar ligt Herman, herbegraven vanuit Hamburg. En daar staat in de Kapel een eikenhouten schrijn met 42 gedenkboeken. Daarin staan de namen van  125.000 Nederlandse oorlogsslachtoffers van wie de graven niet bekend zijn. Daarin staat de naam van mijn vader. Ieder dag slaat de beheerder een bladzijde om. Er staan ongeveer 40 namen op een blad. Eén keer in de drieduizend dagen komt het blad van mijn vader aan de beurt. Als je naar Loenen rijdt kom je langs het monument van de Woeste Hoeve. Daar staat in de tegels een tekst gegraveerd. Van de Duitse dominee-verzetstrijder Dietrich Bonhoeffer, geëxecuteerd kort voor het einde van de oorlog: Als je van iemand houdt en je bent van diegene gescheiden,  kan niets de leegte vullen. Je moet dat niet proberen. Je moet eenvoudig aanvaarden en volharden.

Dat klinkt erg hard maar het is ook een grote troost. Want zolang de leegte werkelijk leeg blijft, blijf je daardoor met elkaar verbonden. Ik blijf verbonden

- met de krachtige geloof van mijn moeder: ‘Haten doen we niet hè jongens’ en ‘God is altijd groter’,
-met de kracht van mijn vader: ‘Dat ik toch vroom mag blijven, uw dienaar te aller stond, de tirannie verdrijven die mijn hart doorwondt’ en ‘Wij slaan het oog tot u omhoog’
- met het vaste vertrouwen van mijn broers Herman en Wim dat ook na de dood ons een heerlijkheid wacht.

Mijn Moeder, Reik en ik, we zijn een drie-eenheid. Er is nog geen plaats voor een ander. We hebben alle drie een pijnplek, een litteken, een gat in de ziel. Daar praten we niet over.  Ik kan niet tegen hun verdriet. Ik ben bang voor hun pijn. Maar verder lijkt het goed te gaan. Het hindert niet dat er zwarte vogels vliegen om je hoofd, als ze maar geen nestje bouwen in je haar, lees ik ooit ergens. En zo is het. Zo gaat het de eerste dertig jaar. Maar dan komt er een verandering. Want denk niet dat het lukt: Putten vergeten. Die vergeetput werkt niet. Op onverwachte momenten springt de deksel van de put.

Ik wil daarvan een paar voorbeelden geven. Het begint met de meest heftige, de eerste keer dat de deksel eraf springt, in 1973, bijna dertig jaar na die dag.

X

4 mei 1973.

Ik kom laat thuis van mijn werk op school. Ik ga mijn eten klaar maken. Ik woon alleen en ben alleen. Om zeven uur belt mijn moeder op. Haar stem klinkt verdrietig. Ze is vanmiddag met Reik naar Loenen geweest, naar de dodenherdenking geweest. Ik was het helemaal vergeten.
- ‘Zet je de radio aan?’ vraagt ze. Ik ren naar boven met schuldgevoel en hang de vlag uit, halfstok. Dan zet ik de radio aan. De NCRV brengt een interview met een teruggekeerde, niet uit Putten.

- ‘Weet je wat zo erg is’ zegt de man. ‘Toen ik het kamp binnen ging heb ik mijn geweten op nul gezet. Ik wilde overleven. ’t Was alsof ik mijn geweten in een jampot bij de ingang had neer gezet om het later als ik er uitkwam weer op te pakken. Maar toen ik er uit kwam kon ik het potje niet weer vinden.’ Dat schokt mij. Onze mannen hadden ook een geweten maar dat hebben ze niet weggedaan. Dan begint voor de radio vanaf de Waalsdorpervlakte die prachtige sonore klok te luiden. De Taptoe wordt geblazen. Dan moet ik opeens huilen, vreselijk huilen. Het Wilhelmus wordt gespeeld. Mijn Vader! Ik gooi de tuindeuren open en zet de radio keihard. Ik schreeuw tegen de hemel en de buurt: ‘Horen jullie het niet.Hoor je dan niet hoe erg het is !’. Ik heb een half uur verdoofd door verdriet op de bank gelegen. Na dertig jaar huil ik weer. En hoe.

Dat was het begin van een nieuwe periode. 1973. In die zomer leer ik Wieke kennen. Zij herkent mijn verdriet en ze is balsem op de wond. Maar het duurt nog jaren voor ik weer naar Putten ga. De Stichting Oktober 44 heeft mij geholpen. Gesprekken met bestuurslid Heio van de Broek en met Jantje Jansen-Doppenberg, reizen naar Neuengamme, Oradour en Lidice, de gedachtenisruimte, waar de namen van mijn Vader, Herman en Wim staan, de ervaring dat je in Putten gewoon over die dingen kunt praten. Ze kennen het hier immers. Ik volg een cursus autobiografische teksten lezen en schrijven. Er komt ruimte. Ook bij Reik komt plaats. Hij ontmoet zijn Greet. Samen hebben ze twee zoons. De oudste heet Hendrik, Herman, Wim. Mijn Vader heette Hendrik. De tweede zoon heet Reik Jan Willem. Mijn moeder sterft in 1989. Mijn broer Reik en ik leiden de dienst in de kapel in Loenen . Op haar graf in Beekbergen staat de steen met haar lievelingstekst: ‘Zo ik niet had geloofd dat in dit leven mijn ziel Gods gunst en hulp genieten zou. Mijn God was waar mijn hoop mijn moed gebleven, ik was vergaan in al mijn smart en rouw.( ps. 42, oude berijming) Mijn broer Reik sterft in 1999.  In de rouwdienst zingen we, op zijn verzoek (we hebben alles rustig met elkaar doorgesproken): Welzalig hij die al zijn kracht... en ‘Zij gaan van kracht tot kracht steeds voort’  Zijn twee zonen spelen op orgel en trompet: ‘U zij de glorie’

Nu is er niemand meer met dàt verdriet in de ogen. Er is ook niemand meer die gezien heeft wat ik gezien heb. Ik denk bijna dagelijks aan ze. Vaak schiet mijn gemoed vol, maar ik ben gelukkig. Ik ben diep ontroerd als we het Wilhelmus zingen, in de kerk bij het zingen van bekende liederen stokt soms mijn stem. Maar ik heb geleerd van die mij voorgingen: ‘Gemis mag je ontwikkeling niet verstoren, je moet open staan voor wat je ontvangt.’ Ik schrijf af en toe korte verhalen over de dingen, die ik ervaar. Gewone ontmoetingen en dingen die me over komen. Soms als een column in het kerkblad. Dat gaat een enkele keer over de ervaringen in Putten. Ik verberg het niet meer. Ik lees er twee. Het eerste verhaal heet: ‘Maar de oorlog is nooit opgehouden’ Het is geschreven in 1997. Het tweede heet ‘Boem Paukeslag’. Dat was het motto van de boekenweek van 2006, naar een gedicht van Paul van Ostayen, 1921. Ik heb voor die gelegenheid dit verhaal opgeschreven, op basis van een eigen ervaring. Dan volgen nu de verhalen:

‘Maar de oorlog is nooit opgehouden”

De laatste zondag van het kerkelijk jaar. In de kerkdienst herinneren we ons de namen van wie dit jaar gestorven zijn. Een lange rij. Job, onze predikant leest ze voor. Arnold van Klaveren, oud 75 jaar, Jantina de Haas - van Dochteren, oud 93 jaar .....  Bij iedere naam wordt een klein kaarsje aangestoken. Er zijn 32 namen. Er staan 33 kaarsjes, hebben ze gezegd. Dat laatste lichtje is voor al die mensen die we niet noemen. Verschillende namen komen me vertrouwd voor. Met Huigen heb ik samen gewerkt. Hij stierf heel vredig. Kor was actief maar ongeduldig. Hij kwam onder een vrachtauto. De chauffeur is er ook. Diep geroerd. De rustige stem gaat door. Anne Roosje van de Berg, drie maanden. Wieke zit naast me. Ik voel haar ontroering. Karel Oostermans 32 jaar ......Het wordt steeds lichter op de avondmaalstafel. Ik wacht op het laatste kaarsje, dat aangestoken zal worden. En dan, onverhoeds, komt er uit de diepere lagen van mijn herinnering een andere stem. Hij leest ook namen.

Ik zit in de kerk met mijn broer. Mijn Moeder  zit tussen ons in. ‘Er is er één teruggekomen en die heeft een lijst met namen’, hebben ze gezegd. ‘Er zijn wel doden, maar misschien valt het allemaal wel mee’, hebben ze gezegd. ‘Om vier uur, in de kerk, worden de namen gelezen’, hebben ze gezegd. En dus zitten we weer in de kerk. Net voor ons zit juffrouw Honders. Haar man rijdt met de bakkersmand, in een wit jasje en een geruite broek. Van haar krijg je in de winkel een snoepje. De dominee staat voor de lezenaar, achter de statenbijbel. Het is te donker om goed te kunnen zien. Een man brengt een olielampje en licht bij. Het lezen begint. Straat voor straat. Een donkere, monotone stem.Tien, twintig, dertig namen, alleen achternamen. Ik hoor snikken. Een vrouw roept: ‘Nee!’’ Het lezen duurt heel lang. Allemaal doden. Tweemaal hoor ik mijn naam.Twee van de drie? Leeft mijn Vader nog? Of één van mijn broers? Mijn moeder zit bewegingsloos, strak, maar ik zie haar tranen. Dat is erg. Ik huil niet, want dan wordt mijn moeder nog verdrietiger, weet ik. Ik raak even haar hand aan. Ze zeggen dat er 190 namen genoemd zijn. Ik weet het niet. We schuiven de bank uit. Voor mij strompelt juffrouw Honders. Het is net of ze gebroken is. Haar hoofd hangt helemaal naar beneden. Ze houdt de hand voor haar ogen. Haar lijf schokt. Ik ben veertien jaar en ik heb een vrouw gezien, gebroken van verdriet. We gaan naar huis......

Als het laatste kaarsje wordt aangestoken stromen de tranen over mijn wangen. Nu mag het wel. Wieke raakt even mijn hand aan. Je kunt kinderen wel uit de oorlog halen maar kun je de oorlog ook uit de kinderen halen? Ik denk het niet. Toch is er vrede.

Apeldoorn, november 1997

‘Boem! Paukeslag!‘ boekenweek 2006

Ik sta in de foyer van de schouwburg. Alleen, tussen de mensen. De gong klinkt. Het publiek komt langzaam in beweging en schuifelt naar zijn plaats voor het jubileumconcert. Volgens het toegangsbewijs staat mijn stoel op het tweede balkon, tweede rij, middenvoor. Ik klim de trappen op. Het wordt steeds eenzamer. Als ik licht hijgend boven ben en mijn plaats op zoek tel ik daar drie bezoekers. Precies voor mij zit een grijze heer met ringbaard, geflankeerd door twee dames. Verder is het balkon leeg. Het gesprek van mijn balkongenoten kan ik woordelijk verstaan. Het is een vader, die met zijn twee dochters ter gelegenheid van zijn verjaardag naar dit concert gaat. De aangetrouwde zonen hebben ze thuis gelaten. Dit is hun feestdag. ‘Gezellig, hè Pa!’ hoor ik ze zeggen en ze steken hun arm vertrouwelijk door die van Pa. Ik voel me weer alleen. Mijn balkongenoten hebben zich goed voorbereid. Ze weten wat er wordt gespeeld: Mozart en Sjostakóvitsj. Als de dirigent binnenkomt klappen ze enthousiast en zakken daarna behaaglijk achterover in de kussens, klaar om tot de pauze te genieten van Mozarts concertante. Ik volg hun voorbeeld.

In de pauze gaan de dochters wat drinken, pa blijft zitten. Ik blijf ook liever op deze hoogte. De stilte hier is heerlijk. In mijn hoofd klinkt nog die prachtige muziek na. De oude heer staat op en draait zich om, naar mij. Hij draagt een onderscheiding in het knoopsgat van zijn colbertje. Oorlogsveteraan concludeer ik. -‘Dat was mooi, mijnheer. Hebt u ook genoten?’ Hij heeft een mooie volle stem. -‘ Ja, de meisjes wilden mij trakteren voor mijn tachtigste verjaardag. Leuk, hoor. Maar ik zie wat op tegen wat er nu nog komt. Straks spelen ze de Zevende van Sjostakóvitsj. Leningrad! Een mooi stuk, maar het gaat over oorlog en vrede en alles van de oorlog begint me een beetje te kwellen.’ Ik schrik. Nou krijgen we de oorlogsherinneringen van een tachtigjarige veteraan, denk ik. Daarvoor ben ik niet hier in de stilte blijven zitten, maar er is niet meer aan te ontsnappen. -‘ Ik heb in een concentratiekamp gezeten, ziet u, ik heb gezien hoe mensen in elkaar geslagen werden. Dat was het ergste. Dat schieten en die gevaren, och dat gaat voorbij, maar dat ze mijn makker voor mijn ogen ... .‘ Zijn stem stokt. Ik herken zijn emoties. Ik ben ook van voor die oorlog. Er zijn beelden uit die tijd, die ook ik niet kwijt raak. Gelukkig hoef ik niet te reageren want er klinkt gepraat en gelach op de trap. Zijn ‘meisjes’ komen weer terug. Ze hebben iets lekkers voor Pa meegebracht.

Al pratend knikken ze vriendelijk naar me zonder zich verder door mijn aanwezigheid te laten afleiden. Ik sta op om een paar stappen te lopen. Het gesprekje met de veteraan heeft mij geen goed gedaan. Als de orkestleden hun instrumenten opnieuw gaan stemmen zit ik weer op mijn plaats. Achter de strijkers en de blazers is nu een omvangrijke hoeveelheid slagwerk opgesteld, trommels, pauken en ook een grote gong. Ik herinner me dat Sjostakóvitsj bekend staat om zijn vele slagwerk. Hier, vanaf het tweede balkon kijk ik er bovenop. De slagwerkers scharrelen nog wat rond tussen hun instrumentarium. Allemaal mannen. Die bij de grote gong is een forse, wat gezette kerel met een rond gezicht, in hemdsmouwen. De anderen zijn kleiner net als hun instrument. Er valt een stilte. Nog even een klein applaus voor de dirigent en dan worden we binnen geleid in de wereld van oorlog en vrede, zoals de componist dat gevoeld heeft. Na een prachtige opening met mooie ronde klanken, begint achteraan een trommelaar bijna onhoorbaar zijn snaartrommel te strelen. Het geluid wordt langzaam sterker. Die roffel roept sterke beelden op. Het klinkt als het geluid van een leger dat van ver dichterbij komt. Langzaam. Dreigend. Haast onmerkbaar, maar niet te stuiten neemt deze oorlog bezit van me. Het tromgeroffel wordt nu nog versterkt door signalen van koperblazers. De veteraan voor me recht zijn rug. Nu zetten de pauken in. Het komt allemaal heel dichtbij. Ik hoor geen muziek meer, ik hoor stampende laarzen en geweerkolven, die tegen deuren en ramen slaan.

Paukenslagen. Alles gaat plat. Dan, opeens, is er een dreunende slag. De gong. Boenng! En weer: Boenng! De veteraan voor me schokt en duikt in elkaar. Er volgen meer slagen. Voltreffers. Granaten slaan in. Het is één groot slagveld. De man bij de gong staat in zijn hemdsmouwen te beuken. Ik zie zijn gezicht aangloeien. En dan gebeurt het. Het afschuwelijke. Hij làcht !. Een triomfantelijke lach straalt over zijn slagersgezicht. Mijn voorman springt op. Zo hebben ze zijn vriend gebeukt, zoals ze ook op mijn vader hebben ingeslagen. Hij buigt zich over de balustrade en wijst met uitgestoken hand naar de slager en balt zijn vuist. Zijn dochters trekken hem terug in de stoel. ‘Niet doen, Pa! Ssst!’ -‘Hij slaat en hij lacht!’ gromt hij tegen zijn dochters. De rest kan ik niet verstaan. Het klinkt als een vloek. Mensen voor in de zaal kijken niet begrijpend maar wel verstoord omhoog. Het slagersbedrijf gaat intussen door. En de slachter lacht. Ik zit verstard naar hem te kijken en zie al die beelden terug, die ik niet had willen zien. Maar ik durf niet op te staan en te roepen. Zwijgend schreeuw ik: ’Vuile beul! Schoft. Mensenslager!’. Ik hijg van woede. Dan, onverwacht is het over. Het muzikale geweld is voorbij. Warme klanken van houtblazers zweven door de zaal. Het is het ruisen van een zachte stilte. Ik hoor strijkers en een prachtige hoorn. Mijn lijf ontspant zich. Vóór mij hoor ik een diepe zucht. Tegelijk vallen mijn voorman en ik terug tegen de leuning. De muziek voert me langzaam binnen in een land van vrede met een vleugje overwinning. Iets wat lijkt op een requiem: de helden keren terug van het slagveld of treden binnen in het paradijs. De gong wordt weer rustig bewerkt. De slager is weer musicus. Het applaus is overweldigend. Mensen staan juichend op. Bloemen, geroep, roffels op de stoelen, met handen en voeten. Op het tweede balkon blijven twee mannen zitten, geslagen. Als de zaal leeg loopt staan we op en ik geef mijn veteraan een hand. -‘ Dat was heftig, mijnheer!’ zegt hij. Eén van zijn dochters trekt aan zijn mouw en neemt hem bij de hand. -‘ Kom Pa, we gaan een glaasje drinken in het restaurant.’ Gelaten laat hij zich wegvoeren. Hij kijkt mij aan. In zijn ogen lees ik oude pijn. Ik wacht tot ze uit zicht zijn. Alleen daal ik de trappen af. Ik heb een leuning nodig.

Apeldoorn, voorjaar 2006

Slot

Dit was, voor deze avond, het slotverhaal. We weten dat het niet het laatste verhaal is. Mijn levensverhaal over het litteken heeft geen einde omdat de oorlog geen einde heeft in ons leven. Het is goed en passend om nog één keer het gedicht van Leo Vroman te lezen:

Kom vanavond met verhalen
Hoe de oorlog is verdwenen
En herhaal ze honderd malen:
Alle malen zal ik wenen.

En waarom moet ik dan alle malen wenen?
Wel, de oorlog is niet echt verdwenen.

Dank u.

Stichting Oktober 44, Midden Engweg 1, 3882 TS Putten