Stichting Oktober 44
  • Oktober 44

    Een aanslag van een verzetgroep bleek voor de bezetter aanleiding tot een vreselijke
    vergeldingsactie...

    Ongeveer 110 huizen werden in brand gestoken...

  • Oktober 44

    Putten was in oktober 1944 het toneel van de ergste wraakactie die Duitsers in de Tweede Wereldoorlog in Nederland hebben begaan.

    Vrouwen gingen de hongerwinter in zonder man.

  • Oktober 44

    Een echte, georganiseerde illegaliteit was er niet in Putten in de eerste jaren van de oorlog.

    Pas in 1944 kwamen enkele groepen tot stand.

Jacob van Wincoop, op 85-jarige leeftijd overleden op 25 oktober 2011 in Putten, was de laatste overlevende in ons dorp van de razzia van zondag 1 en  maandag 2 oktober 1944.

Jannes Priem, in Schoonhoven woonachtig, is nu de enige van de weggevoerden die nog in leven is.
Op 6 juli 1926 werd Jacob als zoon van de melkrijder en boer Hendrik van Wincoop en Grietje van den Hoorn geboren in de weidse Putter polder, vlakbij het stoomgemaal. Het Hervormde gezin bestond uit twee zonen en twee dochters. Op de kleine boerderij, bij de zeedijk gelegen en ver van de bewoonde wereld, moest hard gewerkt worden om de kost te kunnen verdienen. Na de lagere school doorlopen te hebben hielp Jacob zijn vader op de boerderij. Samen waren ze melkrijder en gingen met paard en wagen de boer op om melkbussen op te halen om die vervolgens naar de melkfabriek in Nijkerk te brengen.

Het landelijke leven werd verstoord door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog op 10 mei 1940. Na de capitulatie begon de bezettingstijd. De oorlog trok in het begin geen diepe sporen in ons dorp en met name in het buitengebied zag men zelden Duitse soldaten. Tot 1 oktober 1944. Na de aanslag door het verzet bij de Oldenallersebrug op een auto van de Wehrmacht, waarbij de Duitse officier Sommer en de verzetsman Slotboom omkwamen, omsingelden de Wehrmachtsoldaten van de Hermann Göring-divisie grote delen van ons dorp en ook het noorden van Nijkerk. Tot zelfs in de Putter polder werd er een klopjacht ontketend.

Behalve Jacob werden ook zijn vader, zijn ooms Meindert en Jan van Wincoop en buurman Steven Gielen opgepakt. Vlakbij de plek van de aanslag werden de mensen uit Nijkerk en de buurtschappen Diermen, Hoef en Steenenkamer samengedreven in een weiland. Vervolgens werden ze afgevoerd naar de Oude Kerk in het centrum van het dorp. De vrouwen en de kinderen werden ondergebracht in de kerk en de mannen in de openbare lagere school op de markt, die in 1953 is afgebroken. De 38 doodskandidaten werden opgesloten in de Eierhal, die tot 1979 op de plaats stond waar zich nu het gemeentehuis bevindt. Jacob heeft de nacht van zondag op maandag samen met zijn vader en de twee broers van zijn vader en met honderden andere mannen de nacht, veelal wakend, doorgebracht in de Oude Kerk.

Ook dominee C.B. Holland, bleef met de toga nog aan, bij de mannen. Tevergeefs zocht Jacob naar een plek waar hij zich kon verstoppen in de kerk. Op maandagochtend, na een gebed van dominee Holland en het zingen van de verzen 3 en 4 van Psalm 84, werden de 659 mannen weggevoerd naar het station in Putten. Met de trein werden ze naar het doorgangskamp Amersfoort gebracht. Daar bleven ze tot 11 oktober. In die periode maakten ze kennis met de sadistische Duitse kampbewaker Joseph Kotälla, die toen plaatsvervangend commandant was van het kamp. Zijn bijnaam was de ‘Beul van Amersfoort’. In dat doorgangskamp werden op verschillende momenten 58 mannen vrijgelaten. Met één van de laatste grote transporten vertrokken ongeveer 1439 mannen per trein met onbekende bestemming.

Doordat de Duitse machinist langzaam reed, bood hij aan een aantal gevangenen de gelegenheid uit de trein te springen. Dertien mannen, opgepakt bij de razzia, waagden de sprong naar de vrijheid. Zijn oom, Meindert van Wincoop, was één van hen. Jacob wilde het ook doen, maar zijn vader weerhield hem ervan. Het gerucht ging, dat er als wraak door de Duitsers een aantal anderen uit de wagon zouden worden geëxecuteerd. Onderweg slaagde zijn vader erin om met behulp van een potlood een briefje te schrijven en dat uit de trein te gooien. Het briefje werd keurig met enige vertraging bezorgd bij mevrouw Van Wincoop.

14 October 1944
Lieve vrouw en kinderen. We zitten in de trein naar Duitsland. Ik en Jaap (Jacob). Vanavond zullen we er wel zijn. Oom Meindert reken ik dat thuis is. Ik kan van ons niets schrijven. Als het kan, dan zal ik wel schrijven, zo gauw mogelijk. Misschien kan het heel niet. Vrouw doe goed je best en Bets (dochtertje) en Henk (zoon) ook. Verders zal het met ons wel gaan. En steun niet op eigen kracht, maar verwacht het van Boven. Verders duizend groeten van ons beiden aan U allen, dag Henk, Zusje (jongste dochter) en Bets.
Va en Jaap
We zullen wel niet thuis komen eer de oorlog afgelopen is. Dag hoor’


Uiteindelijk bleek de bestemming het concentratiekamp Neuengamme te zijn bij Hamburg. Het motto van dit concentratiekamp luidde: ‘Vernichtung durch Arbeit’, vernietiging door arbeid. Alle gevangenen moesten hun privébezittingen daar afgeven. Zo ook Jacob van Wincoop. De meesten kregen een blauw-wit gestreept pak uitgereikt, met een grote letter H op de rug: Häftling (gevangene). Als je probeerde te vluchten diende die letter voor de bewakers als schietschijf.
Vervolgens begon de lange mars door de hel van Aussenkommandos (buitenkampen) van KZ Neuengamme. De weg van Jacob voerde hem door verschrikkelijke buitenkampen als Husum en Ladelund in Noord-Duitsland, vlakbij de Deense grens. In deze buitenkampen moesten ze dag in dag uit werken, van ’s morgens vroeg tot diep in de namiddag. Bovendien werden er urenlange appèls gehouden en werden ze keer op keer geteld, terwijl een mensenleven niet telde in de ogen van de nazi’s.

De dwangarbeiders moesten de Friesenwall aanleggen, een verdedigingslinie, bestaande uit een meters brede en diepe tankgracht. De Duitse legerleiding meende dat er een invasie vanuit de Noordzee of Denemarken van de geallieerde troepen op handen was. In Husum liet een Duitse soldaat winterwortels achter voor de gevangenen en Jacob was één van de gelukkigen die daarvan wist te profiteren. Bij het loodzware werk stierven vele gevangenen ten gevolge van uitputting, ondervoeding, ziektes en de slechte weersomstandigheden. In de ijskoude barakken waar ze op kale houten britsen moesten slapen, zonder dekens en matrassen. Met de hygiëne was het slecht gesteld. Steeds dezelfde smerige en bezwete kleding aan, vaak door regen en sneeuw nat geworden. Daar moesten ze ook nog eens in slapen. Velen kregen last van de vlooien en luizen. Bovendien ontpopten de kapo’s , medegevangenen, die door de nazi’s waren aangesteld als bewaker, zich tot ware sadisten.

Het geschreeuw, ‘los, schnell, weiter’ was niet van de lucht en als bevelen niet snel genoeg werden uitgevoerd knuppelden ze erop los. Jacobs vader stierf op 15 december 1944 op 46-jarige leeftijd in Ladelund. De 18-jarige Jacob had vlak voor het sterven van zijn vader nog kort de gelegenheid gekregen om afscheid van hem te nemen. Van 1 november tot en met 16 december was dit buitenkamp in gebruik om langs de Duits-Deense grens de Friesenwall aan te leggen. In deze periode stierven er 300 gevangenen, waarvan er 110 afkomstig waren van de Puttense razzia. Ze liggen in negen massagraven op het kerkhof van de St. Petri-Kirche.


Vanwege het feit dat hij ontstekingen kreeg aan zijn voeten, werd Jacob overgebracht naar het hoofdkamp in Neuengamme. Hij belandde daar in de ziekenbarak. Bij keuringen wist hij door kreupel te lopen zijn verblijf in het lazaret te verlengen. In het hoofdkamp maakte hij ook ‘de kerstviering’ mee in december 1944. De kampleiding toonde zowaar menselijke trekjes door de gevangenen extra soep en sigaretten, 10 per man, te verstrekken. Jacob ruilde ze om tegen brood. Je moest waakzaam zijn, want er waren medegevangenen die de etenswaren stalen van hun lotgenoten. Om de soep te kunnen eten had je een lepel nodig. Zo’n lepel was letterlijk van levensbelang, want zonder kreeg je de soep niet op tijd op en sloegen kapo’s de soepkom uit je handen. Ook deze soeplepels werden gestolen en daarom droeg Jacob zijn lepel altijd bij zich in de voering van zijn jasje.


Een tijdlang was een soldaat uit Oldebroek, Gerrit Jan Fiks, zijn slapie. Deze man, ook opgepakt bij de razzia in Putten, werd zijn vriend. Ze trokken samen op, maar in januari 1945 verloren ze elkaar uit het oog. Op 5 mei 1945, Bevrijdingsdag in Nederland, is zijn vriend in KZ Sachsenhausen overleden. Daar de Geallieerden het overwicht in het luchtruim hadden, werden Duitse troepentransporten op het spoor en de weg voortdurend bestookt door geallieerde vliegtuigen. Spoorlijnen werden vernield en gevangenen, waaronder Jacob van Wincoop, werden ingezet om de aangerichte schade te herstellen. Zo vertrok hij op 13 februari uit Neuengamme per trein naar Soest (D) was hij op 15 februari aankwam. Het einde van de oorlog kwam in zicht en dat merkten de gevangenen. De Duitse bewakers werden steeds angstiger en soms minder wreed. Tijdens een zwaar bombardement raakte Jacob gewond, toen zijn wagon getroffen werd door een bom en in brand vloog.

Bewusteloos werd hij per paard en wagen afgevoerd naar een klein hospitaal in Bad Sassendorf. In dit ziekenhuis kreeg hij een goede verzorging. Daar kon hij weer aansterken en dat was nodig, want hij woog toen nog maar 40 kg. Wel kreeg hij last van een nare ontsteking aan zijn duim en dat liep uit op bloedvergiftiging. Doordat een Duitse arts hem een briefje verschafte kon hij in het hospitaal achterblijven, toen de Duitsers het ontruimden. De Amerikanen waren in aantocht en iedereen die kon moest te voet op weg. Jacob had, dank zij het briefje van de arts, het geluk dat hij mocht achterblijven. Velen hebben deze dodenmars op het eind van de oorlog niet overleefd.

In het ziekenhuis van Bad Sassendorf maakte hij op 29 april 1945 de bevrijding mee door de Amerikaanse soldaten. Ze verzorgden hem goed en verstrekten hem een Amerikaans uniform. Per vliegtuig werd hij met een aantal Franse overlevenden van de nazikampen naar Parijs gevlogen. Daar hij geen Engels of Frans sprak viel het communiceren hem zwaar. Eenmaal op krachten gekomen reisde hij per trein naar Breda en liftend bereikte hij Amersfoort. Met een auto van de Puttense vrachtrijder Wassink werd hij naar Putten gebracht.

Dichtbij huis, in de Putter polder, kwamen ze oom Meindert tegen, die uit de trein was gesprongen. Met zijn fiets reed zijn oom  snel vooruit om zijn moeder het heuglijke nieuws te vertellen. Dat was wel nodig, want in het voorjaar had ze uit Duitsland het bericht gekregen, dat zowel haar man als haar zoon overleden waren. Zijn thuiskomst, onaangekondigd, zou voor haar een te grote schok zijn. Zijn moeder kon het nauwelijks bevatten dat haar zoon na bijna een jaar weer levend voor haar stond.
Behalve zijn vader, overleed ook zijn oom, Jan van Wincoop. Hij had de bevrijding nog meegemaakt, maar stierf ten gevolge van de doorstane ontberingen op 18 mei 1945 in Neuenkirchen.


Na zijn thuiskomst was Jacob met 19 jaar de kostwinner voor het gezin geworden. Hij moest zich weer voegen naar het dagelijkse leven op de boerderij in de polder. Op 26 augustus 1952 trouwde hij met de 21-jarige Johanna Maria van den Top. In totaal kregen ze 11 kinderen. Ook na de oorlog bleef persoonlijk leed hem en zijn vrouw niet bespaard. Twee zoontjes kwamen bij trieste ongevallen bij de boerderij om het leven. Lammert stierf 7 jaar oud op 26 juni 1970 en de tweejarige Herman op 27 oktober 1976. Enige jaren na hun huwelijk sloot de familie Van Wincoop zich aan bij de Gereformeerde Gemeente in Nijkerk. Bijna 40 jaar lang is Jacob er diaken en ouderling geweest. Vaak moest hij de preek lezen, daar ze geen eigen predikant hadden.
Tijdens informele bezoeken was hij openhartig over zijn geloof.

In het kamp was hij voornamelijk bezig geweest met overleven. Het geloof was voor hem geen hoofdzaak. Van andere Puttenaren merkte hij dat ze veel steun ondervonden van hun geloof. Als jonge vent was hij er niet zo mee bezig geweest, vertrouwde hij mij toe. ‘Ik vind God best, maar ik houd Hem voor ’t lest’.
Na zijn huwelijk speelde het geloof een steeds belangrijker rol in zijn leven. Het heeft hem en zijn vrouw veel steun gegeven bij het verwerken van het verdriet van het overlijden van hun zoontjes.
Zoals vele anderen in Putten stopte hij zijn oorlogservaringen diep weg. Hij meed daarom ook de jaarlijkse herdenking van de razzia. Hij was bang dat na afloop van deze plechtigheid alles weer boven zou komen wat hij had meegemaakt in de kampen.

Wel heeft hij eind jaren ’80 met het bestuurslid van onze stichting Heimen Top eenmaal een reis gemaakt naar Bad Sassendorf, waar hij bevrijd werd. Vele jaren wilde hij zijn ervaringen niet delen met buitenstaanders. En al helemaal niet met de pers. Met name moest hij niets hebben van de TV. Een televisie in huis was voor hem onbespreekbaar. Ook cameraploegen die hem wilden interviewen voor de TV, werden niet toegelaten. Zijn nieuwsvoorziening kreeg hij via de radio en de krant. Na verloop van tijd werd ook de radio afgedankt en las hij alleen nog maar het Reformatorisch Dagblad. Deze krant spelde hij.
De laatste jaren werd hij milder, ook in zijn mening over de Duitsers. Per slot van rekening, zei hij, had hij van sommigen van hen, baat gehad in de kampen.

In 1995 werkte hij mee, toen de Vereniging voor Voortgezet Onderwijs op Reformatorische Grondslag te Amersfoort een boek uitgaf: ‘Na zoveel bange tegenspoed. Herinnering aan bezetting en bevrijding 1940 – 1945’ In dit staat een hoofdstuk ‘De Putter razzia’, geschreven door C.M. Cousijnsen. In dit hoofdstuk komt Jacob ook uitvoerig aan het woord over zijn kampervaringen.
Op verzoek van de Amerikaanse historica Norma Abramson heb ik als wethouder, samen met burgemeester B.J. van Putten, een bezoek geregeld aan Jacob van Wincoop op 25 oktober 2005. Hij was zonder meer bereid om ons te ontvangen. Samen met de journalist Lulof Dalhuisen van de GezinsGids, een christelijk magazine voor het gezin, mochten we hem bezoeken voor een interview op 4 augustus 2009. Dit is zijn laatste grote interview geworden.

 

In 2007 kwam de oorlog voor hem opeens heel dichtbij. Op 18 en 19 september van dat jaar bracht een delegatie van het bestuur van de Stichting, bestaande uit Reijer van den Berg, Pieter Dekker, Gert van Dompseler en Evert de Graaf een bezoek aan Bad Arolsen. Ook de journalist van De Stentor Roel Kleine was erbij, toen we daar het grote archief bezochten. In deze Duitse stad bevindt zich het archief van het International Tracing Service (ITS). Tijdens de Tweede Wereldoorlog was dit archief al in 1943 opgericht door het Britse Rode Kruis om het lot van miljoenen slachtoffers van het naziregime te onderzoeken. Daar zijn naast 50 miljoen documenten van 17.500.000 slachtoffers, ook de persoonlijke bezittingen opgeslagen. Dat zijn vaak portemonnees, ringen, horloges en foto’s. In Duitse concentratiekampen waren de gevangenen bij aankomst van hun bezittingen beroofd. Met de slachtoffers van de Puttense razzia was dit gebeurd op 14 oktober 1944 in KZ Neuengamme. Na de oorlog kwamen deze spullen in Bad Arolsen terecht. Een deel ervan is kort na de oorlog terugbezorgd bij de families van de slachtoffers. Bezittingen van gevangenen waarvan de familieleden niet te vinden waren, bleven achter in   de archieven in Bad Arolsen.

Daar vonden we in die twee dagen, nadat we ongeveer 80 dossiers hadden gelicht, 5 enveloppen met inhoud van mannen die weggevoerd waren tijdens de razzia in Putten. Eén van deze enveloppen stond op naam van Jacob van Wincoop. In de dunne envelop zaten twee voorwerpen. Het waren zijn persoonsbewijs en een briefje van een Duitse autoriteit, dat zijn paard en wagen niet gevorderd mocht worden vanwege de onmisbaarheid voor de voedselvoorziening van Nijkerk.
Tijdens onze terugreis uit Bad Arolsen hebben we hem opgebeld en konden we ’s avonds in zijn boerderij aan de Middelbeekweg 47 de envelop aan hem overhandigen in aanwezigheid van zijn vrouw. Een heel emotioneel moment om na 63 jaar je eigen spullen weer terug te krijgen. Op zich geen waardevolle zaken, maar omdat op het briefje ook nog de handtekening van zijn vader stond waren ze voor Jacob onbetaalbaar.

De last van de jaren ging hem steeds meer drukken en de herinneringen aan de tocht door de kampen eveneens. Lichamelijke ongemakken speelden steeds meer op. Gelukkig kon hij altijd een beroep doen op zijn vrouw, die hem als geen ander kende en begreep en hem met liefdevolle zorg omringde. Ook zijn kinderen hielpen waar ze konden en hij werd trouw bezocht door zijn klein- en achterkleinkinderen. Hij was geliefd omdat hij onder alle omstandigheden zichzelf was. Bovendien was hij de eenvoud zelve. Een authentiek man, die zich er nooit op liet voorstaan dat hij belangrijk was omdat hij een overlevende was van de kampen, of omdat hij jarenlang een belangrijke kerkelijke functie bekleedde. Eenvoud stond voor hem voorop.

Op de rouwkaart staat vermeld:

‘Het heeft de Heere behaagd, na een langdurig, geduldig gedragen lijden tot Zich te nemen, in de hope des eeuwigen levens, mijn innig geliefde man, onze zeer zorgzame vader en schoonvader, onze lieve opa en overgrootvader en onze zeer geliefde vriend’.
‘Geen bloemen – Geen toespraken’

Dit typeert de mens Jacob van Wincoop.

Evert de Graaf



Stichting Oktober 44, Midden Engweg 1, 3882 TS Putten