Stichting Oktober 44
  • Oktober 44

    Een aanslag van een verzetgroep bleek voor de bezetter aanleiding tot een vreselijke
    vergeldingsactie...

    Ongeveer 110 huizen werden in brand gestoken...

  • Oktober 44

    Putten was in oktober 1944 het toneel van de ergste wraakactie die Duitsers in de Tweede Wereldoorlog in Nederland hebben begaan.

    Vrouwen gingen de hongerwinter in zonder man.

  • Oktober 44

    Een echte, georganiseerde illegaliteit was er niet in Putten in de eerste jaren van de oorlog.

    Pas in 1944 kwamen enkele groepen tot stand.

Lezing tijdens jaarvergadering van de Stichting Oktober 44
op 20 mei 1998, gehouden door Mevrouw Madelon de Keizer.

Schaepmans reddingspoging: het ontglipte verleden

Het verhaal over de redding door Schaepman van een twintigtal Puttenaren uit het kamp Amersfoort, waarnaar zij op 2 oktober 1944 na de razzia waren weggevoerd, zal niet in alle details in mijn boek over de razzia van Putten komen. Daarmee zou ik mij tezeer op een zijpad begeven. Hier wil ik het verhaal graag aan u vertellen om te laten zien hoe ik als historicus in het algemeen over geschiedenis denk en hoe ik dat verleden, dat ik heb bestudeerd, wil overdragen naar de lezers van mijn publicaties. Hiermee krijgt u dus een voorproefje van het boek dat in september 1998 zal verschijnen.

De geschiedenis van Schaepman raakt de kern van de problematiek van de geschiedenis van de razzia van Putten, zoals ik die zie. Die problematiek ligt besloten in drie soorten vragen:

  1. Waarom roept Putten bij de mensen in het land zoveel verschillende gevoelens op? Hoe vaak heb ik de afgelopen jaren niet als reactie gehoord op mijn antwoord dat mijn nieuwe boek over Putten gaat: Is dat niet dat dorp waar alle mannen zich als makke schapen weg lieten voeren door de Duitsers? Die ‘zwartekousengemeente’ die in alles berustte en geen verzet bood? Ging het daar niet om een aanslag op Rauter? Is niet dat hele dorp toen door de Duitsers afgebrand? Was dat niet een heel domme aanslag van het verzet? Had Prins Bernhard er niet iets mee te maken? Maar de problematiek van Putten gaat ook over de vraag:

  2. Waarom is wel - onder andere dank zij Klaas Friso - veel bekend over de razzia en de achtergronden ervan, maar lijken er nog steeds heel veel zaken die met de razzia te maken hebben niet duidelijk?

    En ten slotte de derde vraag:

  3. Waarom, zo zou je dus kunnen zeggen, is er zo'n sterke mythevorming over de razzia en lijkt het onmogelijk om achter de waarheid van Putten te komen?


Ik heb mij al vroeg in mijn onderzoek gerealiseerd dat als je al die vragen goed wil beantwoorden, het niet zoveel zin heeft precies na te gaan wat er nu allemaal in de maand september 1944 is gebeurd. Dat is door anderen inmiddels op loffelijke manier gedaan.

Wil je een antwoord vinden op de vragen die ik stelde, dan moet je eigenlijk een omweg nemen. Dan moet je eerst goed kijken hoe er over de razzia is gesproken en gedacht na de razzia, dus in de resterende oorlogsmaanden tot de bevrijding van Putten en zelfs - in de halve eeuw na de razzia: dus tot op de dag van vandaag. Ja, je kunt zelfs zeggen dat mijn optreden hier, vanavond, daarbij hoort. Kortom: wil je begrijpen wat de betekenis van de razzia van Putten is voor de mensen toen en nu en in de toekomst, dan heeft het zin na te gaan hoe de mensen met de ervaring van de razzia, met de herinnering aan die vreselijke dagen, na de gebeurtenis zelf zijn omgegaan. En via die omweg, via alle kwesties die zo in de loop der tijden gerezen zijn, de discussies, de beschuldigingen, de publicaties enz., enz., ... in die omgang van de mensen in en buiten Putten met de ervaring van de razzia, rijst allengs een historisch beeld van wat er destijds zo ongeveer aan de hand kan zijn geweest.

De ‘affaire-Schaepman’ illustreert deze manier van denken en werken goed. Het laat op genadeloze manier zien dat het toen en nu nog steeds heel moeilijk is om de ‘waarheid’ van het verleden op het spoor te komen. Het laat ook heel goed zien hoe door de verschillende manier van omgaan met het verleden toen en nu, ons beeld van Schaepmans optreden in Putten verandert. Ik oordeel als hedendaags historicus heel anders over de man dan de rechercheurs van kort na de oorlog. En dat is eigenlijk de diepere boodschap van mijn boek en van het verhaal vanavond: wie geschiedenis als een doorlopend verhaal presenteren wil, ontkomt er niet aan met een zekere stelligheid positie te kiezen. Zo was het en anders niet. Maar dan loop je het risico de kern van het verhaal te missen. Maar al te vaak blijkt wat men denkt heel zeker te weten toch heel anders te liggen. Mijn werkwijze is een andere: ik laat zien hoe de mensen in het verleden met dat verleden zijn bezig geweest; wat ze wel en wat ze niet wilden weten en vertellen; wat zij zich herinnerden en wat ze vergaten. Ik wil laten zien waarom dat herinneren en vergeten zo verliep; waarom een bepaald beeld van een gebeurtenis of persoon wel ingang vond bij de mensen en in geschrifte werd neergelegd en een ander beeld geheel uit het zicht verdween. Door zo de zaken tegen elkaar af te wegen, door zo te argumenteren en de lezer in het bedrijf van de historicus te betrekken, komt het verhaal van het verleden overtuigender naar voren. Dan blijkt vooral hoe gecompliceerd dat verhaal is. Dat schijn en werkelijkheid vaker dan men denkt dooreen lopen. Dat mensen gecompliceerde wezens zijn die er gecompliceerde levensloop op na houden en ingewikkelde redeneringen opzetten. Daarom: als er iets moeilijk is dan is dat wel de studie naar het verleden, naar wat mensen dachten en deden - toen. Wie daarover een rechtlijnig, eenvoudig, een ‘zo was het’- verhaal opdist, spiegelt zijn gehoor een verhaal voor dat onvermijdelijk vragen zal blijven oproepen. Maar ik ben een historicus die juist in die vragen geïnteresseerd is, omdat die ons inzicht in het verleden sterker verhogen dan een ‘zo was het’-verhaal. Zo'n verhaal lokt niet tot nadenken over het verleden uit, maar brengt feiten over en legt vaak de lezer en luisteraar het zwijgen op. Denkt u maar aan die opvoeders van vroeger die als hun dochterje of zoontje vroeg ‘waarom is dat zo pappa?’ als antwoord kregen: ‘omdat ik dat zeg’. Zo'n historicus ben ik dus niet.

Nu dan eerst wat we tot nu toe zo ongeveer wisten van Schaepmans reddingspogingen.

II

Nog geen twee dagen nadat de 660 mannen die bij de razzia in Putten waren opgepakt in Amersfoort waren ingesloten, was een zekere Schaepman uit Putten druk in de weer om de vaders van grote gezinnen uit het kamp vrij te krijgen. Schaepman was samen met zijn broer, die net voor de razzia uit Arnhem was geëvacueerd, ook bij de razzia op zondag 1 oktober opgepakt. Op vertoon van zijn papieren, waaruit bleek dat hij een SS'er was, werd hijzelf zondagavond 1 oktober 1944 vrijgelaten, maar zijn broer niet. De volgende dag ging Schaepman naar de marechaussee, toen gevestigd op De Pol. Daar trof hij kolonel Fullriede, de man die de leiding van de razzia had, en een zekere Müller van de SD, de Duitse politie in Deventer (waaronder Putten ressorteerde). Eerst kreeg hij een papiertje, een Bescheinigung, dat het huis waar hij woonde, gespaard zou blijven. Daarop reisde hij met een verklaring dat zijn broer ten onrechte was opgepakt naar Amersfoort.

Diep in de nacht slaagde hij er waarlijk in de gevreesde kampkommandant Berg te spreken te krijgen. Deze verklaarde prompt het papier dat Fullriede aan Schaepman meegegeven had van nul en generlei waarde. Maar hij verwees hem wel door naar Oberst Pausinger van de Heeresstreifedienst. Deze stuurde hem weer naar de chef van de Adjutantur in Harderwijk, een zekere Coninx. Schaepman bleek deze zijdelings te kennen en wist van hem een Bescheinigung los te praten vol stempels en handtekeningen die wel deugde. Twee dagen later kwam Schaepmans broer daarmee vrij. Terug in Putten sprak Schaepman - zelf roomskatholiek - pater Bollinger, een kennis van hem die pastoor Van Dalen verving, die in maart gevlucht was voor arrestatie. Bollinger suggereerde zijn geloofsgenoot te proberen al diens waardevolle relaties te gebruiken om vaders van grote gezinnen uit Amersfoort los te krijgen. Op het gemeentehuis van Putten hoorde Schaepman dat er zeker wel twintig van dergelijke gevallen waren. Hij kreeg een lijstje met namen mee. Voor ieder moest een apart verzoekschrift in het Duits worden opgesteld. Het lukte. Op woensdag 11 oktober - ruim een week dus nadat de mannen in het kamp Amersfoort waren vastgezet - werden de namen van achttien mannen in het kamp omgeroepen. Zij werden op vrije voeten gesteld.Het liep nadien storm bij Schaepman. De mensen stonden dag en nacht op zijn stoep om hem te bewegen ook voor hun gedeporteerde familieleden iets te doen. Ze brachten hem eten en probeerden op allerlei manieren een kruisje achter hun naam op de lijst van gedeporteerden te krijgen. Schaepman en zijn vrouw gingen er in die wintermaanden vaak met de fiets in wind en weer op uit om geruchten over de plaats waar de mannen tewerkgesteld zouden zijn na te trekken, in de hoop iets voor hen te doen. Het leidde steeds tot niets. De episode Schaepman is met deze paar alinea's eigenlijk heel fatsoenlijk af te doen. Maar bij nadere beschouwing rijzen natuurlijk heel veel vragen. Wie was die Schaepman nu eigenlijk? Hoe kon hij dat allemaal voor elkaar krijgen? Maar vooral: hoe komt het dat we zo weinig van de man en zijn interventie ten gunste van zo'n 18 Puttense mannen afweten? Dat is toch wel een prestatie die gememoreerd zou mogen worden... Zoals u al begrijpt ligt het antwoord niet besloten in het feitelijke verhaal zoals ik hierboven gegeven heb. Om de betekenis van Schaapmans reddingspogingen echt te begrijpen moeten we kijken naar hoe het na de oorlog met Schaepman is vergaan: daarin ligt de verklaring besloten voor de vragen die ik stelde.

III

In de loop van 1947 was er een onderzoeker van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie die in Putten mensen ondervraagde over wat zij zich allemaal van de razzia herinnerden. Doel was die gesprekken in een dossier bijeen te brengen en daar een kort rapport over uit te brengen. Dat rapport kon aanleiding vormen voor het bestuur van het RIOD om de geschiedenis van de razzia uit de doeken te doen. Dat zou immers ook gebeuren met de razzia van Rotterdam en met een andere belangrijke gebeurtenis in de bezettingstijd: de Februaristaking van 1941. Putten stond dus op de nominatie om door het RIOD in onderzoek te worden genomen. En onderzoeker Wildschut ging op pad om informatie te verzamelen. Toen deze Wildschut in mei 1947 met Schaepman ging spreken over diens bemoeienissen mannen vrij te krijgen, trof hij een verbitterde man, een ‘moeilijke man’, schreef Wildschut later, die met ‘donkere, melancholieke ogen’ de wereld inkeek. Hij was een ‘twijfelachtige figuur op het Puttense toneel’, schreef hij ook, en allesbehalve populair. Schaepman sprak tijdens dit onderhoud fel en gebeten. Hij voelde zich chronisch tekort gedaan. Na de oorlog was hem verweten alleen iets voor de katholieke Puttenaren te hebben gedaan (onder de achttien vrijgelaten mannen waren vijf katholieken) en geld en eten te hebben aangenomen zonder dat daar iets tegenover was komen te staan. Bovendien was hij twee dagen na de bevrijding gearresteerd omdat hij lid was geweest van de NSB, de WA en de SS. Op 12 juni 1945 werd hij daarom in bewaring gesteld in het interneringskamp Harderwijk. Schaepman schreef direct een brief naar de Harderwijkse commissaris van het Militair Gezag, dat direct na de bevrijding het gezag in Nederland voerde. Hij vroeg om een spoedige behandeling van zijn zaak, die - dat gaf hij bij voorbaat toe - erg gecompliceerd was en - daarvoor toonde hij alle begrip - terdege nagetrokken moest worden.

De Politieke Opsporings Dienst in Harderwijk, die dergelijke zaken te onderzoeken had, zette zich aan de kwestie. Schaepman was toen hij in 1944 in Putten kwam wonen 34 jaar. Hij was een neef van de bekende katholieke politicus Schaepman en had na zijn gymnasium-bèta filosofie gestudeerd en een opleiding in gemeentelijk en administratief recht gevolgd. In 1939 werd hij benoemd bij de distributiedienst in Venray. In oktober dat jaar werd hij lid van de NSB, direct daarna groepsleider en vervolgens administrateur van de NSB in Noord-Limburg en daarbij commandant van de lokale WA. In juni 1941 stapte hij over naar de Nederlandse SS. Midden dat jaar kreeg hij in Avegoor een opleiding op de SS-Schule, maar werd afgekeurd voor actieve dienst vanwege een hartkwaal (anders had hij immers naar het Oostfront gemoeten!). In mei 1942 volgde zijn beëdiging bij de SS, maar nog geen vier maanden later werd hij op eigen verzoek daaruit ontslagen. Het bleek de naoorlogse rechercheurs dat hij de papieren van de WA, waarvan hij vendeladministrateur geweest was, in complete chaos had achtergelaten, dat hij zijn kameraden met allerlei praatjes om de tuin had geleid en in zijn nieuwe functie in januari 1942 als ambtenaar ter secretarie in Maastricht het al gauw aan de stok gekregen had met NSB-burgemeester Jansen. In augustus 1942 was hij geschorst in verband met zijn werkzaamheden voor de SS en vanaf oktober was men in Venlo gaan wonen.

En dan een nog opmerkelijker feit: in 1943 was hij hoofdverspreider voor Je Maintiendrai, het illegale blad van de voormalige Nederlandse Volksbeweging. De POD-rechercheur kreeg van Schaepmans voormalige collega's een beeld van de man als iemand die, uitgerust met een gezond stel hersens en goed van de tongriem gesneden, behendig door de bezettingstijd was gelaveerd. Hij had meer geld uitgegeven dan hij gehad had (met tekorten in de WA-kas tot gevolg). Hij was vlot en getapt bij zijn collega's, best te vertrouwen hoewel hij lid van de NSB en SS was, had steeds op het winnende paard gewed en had ten slotte, toen hij zag dat de Duitsers gingen verliezen, definitief de kant van het verzet gekozen. Schaepmans verspreiding van JM werd door de leiding van het voormalige illegale blad bevestigd, zij het met de aantekening dat dat van korte duur was geweest. Schaepman had nog in hetzelfde jaar 1943 zijn werk moeten staken toen zijn SS-lidmaatschap in verzetskringen bekend werd.Het gecompliceerde levensverhaal dat de rechercheur echter van Schaepman zèlf te horen kreeg wees in een heel andere richting.

IV

In mei of juni 1940 was hij door iemand benaderd, vertelde Schaepman, die hem gevraagd had spionagediensten te verrichten voor de naar Londen uitgeweken kapitein Olifiers. Deze was het hoofd van sectie III van de Generale Staf in Den Haag, die Schaepman kende. Olifiers had hem in 1939 opdracht gegeven een spionagereis naar Duitsland te maken. Van die zijde had men desgevraagd ingestemd met Schaepmans voorstel in het najaar van 1940 lid van de NSB en later SS te worden om te zien wat daarin allemaal omging en de zaak te saboteren. Hij had, beweerde Schaepman, met opzet de administratie van de WA in de war gegooid. Eenmaal naar Putten verhuisd had hij in regelmatig contact met verzetsman Oosterbroek gestaan. Getuigen bevestigden Schaepmans verhaal min of meer, maar de zaak kwam vast te zitten op de bewering dat hij in opdracht van de in mei 1940 naar Londen uitgeweken kapitein Olifiers lid van de NSB en de SS geworden was. Schaepman (zoals gezegd een ontwikkeld en uiterst welbespraakt man die vele relaties had) had inmiddels de aandacht weten te trekken van de hoogste kringen van het Militair Gezag. Kapitein Olifiers, die tot nu toe bij hoog en bij laag ontkend had iets met hem te maken te hebben gehad, ging door de bocht. Hij verklaarde „Schaepman is op mijn last werkzaam geweest voor de Nederlandse Inlichtingen Dienst. Voor de inval 10 mei 1940 heeft hij voor mij een reis naar Duitschland gedaan voor het verkrijgen van inlichtingen omtrent militaire zaken aldaar.” Hij had Schaepman echter nooit of te nimmer opdracht gegeven lid van de NSB of SS te worden, maar, als Schaepman dat was geweest, dan had hij dat, hem kennende, nooit met kwade bedoelingen gedaan.

Inmiddels was een psychiatrisch rapport opgemaakt van de man die tot die tijd als aartsleugenaar en fantast te boek had gestaan. De conclusie ervan luidde dat Schaepman zeker neiging tot fabuleren vertoonde en dat dat een rol kon hebben gespeeld in zijn toetreding tot de NSB en de SS. En dat was uiteindelijk de enige kwestie die de POD aanging. Commissaris Blaauw, de militair commissaris van het MG van de provincie Gelderland, en het hoofd van de sectie justitie van de Provinciale Militaire Commissaris in Arnhem, Cals (de latere politicus) waren overtuigd van Schaepmans onschuld. Op 24 september werd Schaepman met onmiddellijke ingang uit zijn internering in Harderwijk ontslagen en kreeg huisarrest opgelegd. Eenmaal in Putten, kreeg hij van Blaauw bericht dat hij daags erop, op 2 oktober 1945 - de voor Putten zo pijnlijke datum - zijn woonplaats te verlaten had en zich elders onder huisarrest moest stellen.

V

In december 1945 werd iets meer bekend van Schaepmans werkzaamheden voor de Nederlandse Inlichtingen Dienst. Een zekere Swane in Venlo, die voor 1940 vlak over de grens in Duitsland een sigarenfabriek had gehad, verklaarde dat hij voor de oorlog militaire inlichtingen aan Schaepman had doorgegeven in de wetenschap dat deze voor de inlichtingendienst werkte. Net voor de Duitse inval in 1940 was Swane in Duitsland op verdenking van spionage gearresteerd, maar na druk van Nederlandse kant op Berlijn weer door de Duitsers vrijgelaten. Eind mei 1945 was hij gearresteerd, maar nooit verhoord: in september dat jaar werd hij zonder meer op vrije voeten gesteld. Swane was overigens zelf voor de oorlog ook werkzaam geweest voor de inlichtingendienst. Zijn zuster was destijds verloofd geweest met luitenant Klop, de man die in november 1939 het slachtoffer werd van de Duitse overval bij Venlo - het beruchte ‘Venlo-incident’. De lobby voor Schaepman, die dus op een of andere wijze zo niet direct bij dit Venlo-incident betrokken was, dan wel daarmee in verband te brengen, groeide nu met de dag. Voorman was onmiskenbaar Van Paaschen, die de leidende man van het illegale blad JM in Amsterdam was geweest alvorens naar Engeland te vluchten om vervolgens als BBO-agent in april 1944 te worden gedropt. Na een bezoek van hem was de beroepshalve zwijgzame Olifiers omgegaan; begin 1946 drong Van Paaschen er in de betrokken kringen op aan dat het huisarrest van Schaepman werd opgeheven en de man zelf gerehabiliteerd.

VI

Pas in februari 1946 concentreerde de Politieke Recherche Dienst zich op een tweede facet van Schaepmans rijke oorlogscarrière: zijn optreden in Putten na de razzia. Was hier sprake geweest van bedrog of niet? Mr. Huber, juridisch hoofd van de PRD, stelde zich na onderzoek van de kwestie uiterst sceptisch op. Schaepman had inderdaad geld en eten aangenomen van de Puttense vrouwen, had hun gouden bergen beloofd, maar steeds was er weer iets tussengekomen, waardoor hij zijn beloften niet waar had kunnen maken. Hubers uiteindelijke rapport aan de Procureur-Fiscaal in Arnhem loog er niet om: Schaepman was een Streber, ‘die gaarne macht uitoefent over anderen en die buitengewoon handig is met de mond’. Alles echter tegen elkaar afwegende (met name Schaepmans werk voor de Inlichtingendienst, dat duidelijk meer om het lijf had gehad dan Olifiers toegeven wilde) adviseerde Huber om Schaepman eventueel bij wijze van gratie de gehele op te leggen straf vanwege zijn NSB- en SS-lidmaatschappen kwijt te schelden. Men ging in Arnhem echter niet over een nacht ijs en vroeg advies aan de Landelijke Ereraad van de Illegaliteit. Schaepman had immers beweerd dat hij lid van de NSB, WA en SS was geworden ten dienste van het verzet. Ook deze instantie had moeite met de zaak. Schaepmans verhalen ‘kenmerken de fantast, die de rol van een belangrijk personage wil spelen’, liet men de Arnhemse Procureur-Generaal in januari 1946 weten. Hij had zich laten meeslepen ‘buiten de grenzen die hem door zijn goed-vaderlandsche bedoelingen gesteld werden’. Men vond het ‘niet onwaarschijnlijk, dat hij zich uit deze situatie teruggetrokken heeft, daar hij tot zijn schande moest ervaren, dat hij deze rol niet kon doorspelen zonder verdere ongelukken te veroorzaken.’ Van één ding was men zeker. „De Eereraad twijfelt er echter niet aan, dat de verdachte met goed-vaderlandsche bedoelingen lid is geworden van de NSB en SS. Daarop wijst reeds - hoe men overigens over deze activiteiten moge denken - zijn ‘spionage’ voor dien tijd en nog meer het onmiddellijk aanpakken van illegaal werk na zijn uittreden uit de NSB.”

Men vond dus dat van verdere vervolging moest worden afgezien.

Toen dit alles niet snel genoeg tot resultaten leidde, nam Schaepman de volgende stap. Hij wist nu toegang te krijgen tot Six, de gerespecteerde leider van de voormalige verzetsbeweging de OD. Deze verklaarde alle vertrouwen te hebben in Schaepman: hij bleek in 1944 in de OD te zijn opgenomen! Drie dagen nadat Six dit aan de rechtbank in Arnhem geschreven had werd Schaepman onvoorwaardelijk buiten vervolging gesteld. Maar Schaepman, inmiddels verhuisd uit Putten, wilde nu ook echt gerehabiliteerd worden. De nieuwe Advocaat-Fiscaal in Arnhem, Serraris, dook in de zaak. Hij ging met Six spreken, die op zijn beurt met Olifiers een onderhoud had. Olifiers trof vervolgens Serraris op sociëteit De Witte in Den Haag. Het kon eenvoudig niet, stipuleerde Olifiers nu, dat iemand namens hem Schaepman opdracht gegeven had lid van de NSB, de WA en de SS te worden: er was eenvoudigweg niemand die van Olifiers contacten met Schaepman wist: ‘Ergo: verdachte liegt.’ Door deze retirade kwam van rehabilitatie uiteindelijk niets.

VII

Hoe het ook zij, of Schaepman een ‘goed vaderlander’ is geweest dan wel een enorme fantast, zijn rol in Putten na de razzia zou nooit onomstotelijk komen vast te staan. Zijn geslaagde reddingspoging van zo'n twintig man uit Amersfoort was aan de ene kant dubieus, omdat hij daarvoor zijn SS-papieren en SS-connecties had aangewend; aan de andere kant was er een smet op zijn blazoen omdat hij zich in natura had laten belonen voor zijn mislukte pogingen iets naders over het lot van de weggevoerde mannen te weten te komen. Dat alles had zijn invloed op de herinnering aan zijn succesvolle interventie ten behoeve van de twintig man. Voorzover er in het naoorlogse Putten al enige herinnering daaraan leeft, wordt deze actie - bij gebrek aan kennis - opgevat als een doortrapte oplichterstruc van een SS'er, die daarmee zijn eigen geloofsgenoten had bevoordeeld en zijn uiterst twijfelachtige oorlogsreputatie had willen redden. Sociaal en fysiek werd hij uit de Puttense gemeenschap gestoten door hem, om de gevoelens van de bevolking te sparen, daags voor 2 oktober 1945 te verbieden zich nog langer in het dorp op te houden. Juridisch werd hij op een zijspoor gerangeerd door hem wel onvoorwaardelijk in vrijheid te stellen, maar niet te rehabiliteren. Schaepmans extreme rolverwisselingen (van SS'er tot OD'er) in bezettingstijd waren zelfs de door de wol geverfde juristen bij het Arnhemse Gerechtshof te bont.

VIII

Ik heb het verhaal over Schaepman verteld, omdat ook ik er eigenlijk niet uitkom: was Schaepman een bedrieger of niet? Beter is het de vraag dan ook niet in zo'n òf dit òf dat vorm te gieten. Mensen zijn in de meeste gevallen niet of helemaal fout of helemaal goed. Ze beslissen vaak naar het moment wat het beste is, wat het beste voor zichzelf is als eerste en vervolgens wat voor hun omgeving misschien goed is. Was Schaepman nu in de oorlog een spion die ten dienste van het verzet tot de NSB, WA en SS toetrad? Misschien wel en misschien ook niet! Merkwaardig blijft natuurlijk dat de chef van de Nederlandse inlichtingendienst eerst pro en dan contra Schaepman getuigt op dit punt. Maar zoals we weten was het in die tijd evenmin als nu verstandig om als regering open kaart te spelen over de daden van je geheime diensten. Zeker waar in dit geval lijnen liepen naar het beruchte Venlo-incident. Was Schaepman dan op eigen initiatief een NSB'er en SS'er? Een overtuigde SS'er was hij in ieder geval niet, kunnen we uit het verloop van zijn carrière concluderen. Hij had zich duidelijk door een bevriend arts een hartkwaal aan laten meten om aan uitzending naar het Oostfront te ontkomen. Opmerkelijk is ook dat hij in 1942 zijn lidmaatschap van de SS opzegde. Maar aan meelopers, hoe grilig dan ook, hebben we natuurlijk ook niets. Heeft Schaepman oprecht geprobeerd vaders van grote gezinnen uit Amersfoort vrij te krijgen, zonder onderscheid des geloofs? Wie zal het zeggen. Het was in ieder geval nooit te verkopen geweest, moet hij hebben begrepen, als hij zich alleen voor zijn geloofsgenoten had ingezet.

Heeft Schaepman inderdaad gemeend dat hij nog meer Puttenaren vrij zou kunnen krijgen of was dit alleen maar een truc om voedsel en geld van de Puttenaren los te krijgen: was hij met andere woorden een gemene oplichter? Opnieuw: we weten het niet. Het kan zo zijn, maar misschien speelde ook iets anders mee. Velen hebben, toen ze zagen aankomen dat Duitsland de oorlog verliezen zou, hun bordjes verzet. Draaiden ze eerst met de bezetter mee, nu zochten ze naar wegen om hun goede vaderlandschap te bewijzen. Misschien was Schaepman wel zo'n sujet: een man die met alle winden meedraaide en zijn foute oorlogscarrière zocht te compenseren door zijn inspanningen voor de Puttenaren. En dat antwoord kan, ten slotte, ook gelden voor de vraag of Schaepman nu wel of niet een verzetsman was die zich ingespannen heeft voor de verspreiding van het illegale blad Je Maintiendrai. Er kan, kortom, van Schaepman meer dan één levensbeschrijving worden gegeven. De goede Schaepman, zoals hij zichzelf uiteraard zag. En de foute Schaepman: daar had het na de oorlog alle schijn van. En iets ertussen in, zoals ik geneigd ben te doen.De algemene conclusie van mijn verhaal luidt dat de manier waarop men denkt over de man - goed, fout, iets er tussen in - bepaalt hoe men zijn actie voor Putten zal beschrijven en beoordelen: als heldendaad en blijk van groot altruïsme, of juist als poging eigen straatje schoon te vegen òf zelfs als doortrapte oplichterij.

Ik weet het niet. Maar we weten inmiddels wel meer dan ooit over Schaepman en zijn redding van achttien mannen uit het kamp Amersfoort - zonder een echt ‘verhaal’ hierover te hebben verteld.

Stichting Oktober 44, Midden Engweg 1, 3882 TS Putten