Stichting Oktober 44
  • Oktober 44

    Een aanslag van een verzetgroep bleek voor de bezetter aanleiding tot een vreselijke
    vergeldingsactie...

    Ongeveer 110 huizen werden in brand gestoken...

  • Oktober 44

    Putten was in oktober 1944 het toneel van de ergste wraakactie die Duitsers in de Tweede Wereldoorlog in Nederland hebben begaan.

    Vrouwen gingen de hongerwinter in zonder man.

  • Oktober 44

    Een echte, georganiseerde illegaliteit was er niet in Putten in de eerste jaren van de oorlog.

    Pas in 1944 kwamen enkele groepen tot stand.

Reformatorisch Dagblad 30-09-2014

L. Vogelaar

Tijdens de razzia van Putten zijn er 659 mannen weggevoerd. Niet 660, niet 661. Dat een aantal van hen als gevolg van verraad is vrijgelaten, lijkt hoogst onwaarschijnlijk.


Deze twee stellingen staan in een boek over de razzia dat donderdag tijdens de jaarlijkse herdenking wordt gepresenteerd. „We hebben alles tot op de bodem uitgezocht, maar het laatste woord is er niet over gezegd. Er komen nog steeds verhalen los”, zeggen de auteurs, Pieter Dekker en Gert van Dompseler. „Nu is er weer een dagboek van een bijna 100-jarige oud-verpleegster boven water gekomen die tijdens de razzia notities heeft gemaakt. Mensen denken te vaak dat hun informatie niet belangrijk is.”

Beide bestuursleden van Stichting Oktober 44, die de herinneringen aan de Duitse acties in het dorp op 1 en 2 oktober 1944 levendig houdt, zetten in ”Van naam tot nummer” de resultaten van zo’n vijf jaar onderzoek op een rij. „Het boek telt 512 pagina’s, maar het hadden er ook 1000 kunnen zijn. Er zijn zo veel verhalen”, zegt Van Dompseler. „Maar”, vult Dekker aan, „we wilden vooral feiten. Veel verhalen blijken niet helemaal te kloppen.”

Dat is volgens de beide Puttenaren verklaarbaar. „Veel mensen hebben tientallen jaren gezwegen. Als ze dan opeens gaan praten, staat hun niet altijd alles helder meer voor de geest.”

Zo veel als er nu wordt gepraat over de razzia die een gat sloeg in de dorpsgemeenschap, zo weinig gebeurde dat vroeger. Van Dompseler zat in de jaren zeventig in Putten op de lagere school. „De razzia werd daar nooit genoemd.”

Dekker was al enige tijd bestuurslid van de stichting toen hij erachter kwam dat tot de slachtoffers ook twee van zijn ooms behoorden. „Dat had ik thuis nooit gehoord. Tijdens de wederopbouwjaren werd er vooral vooruitgekeken. De oorlog moest maar eens een keer voorbij zijn; kampen werden ontmanteld. In de jaren tachtig herleefde de interesse echter. Ook de Veluwse volksaard kan een rol hebben gespeeld in de geslotenheid over wat er was gebeurd. Als kind kwam ik vaak in een gezin in onze straat. Daar ontbrak de man. Pas veel later heb ik me gerealiseerd hoe dat kwam.”

Duitsers bij herdenking

Ondertussen hield Putten wel –al sinds de jaren veertig– een herdenking op 2 oktober. Op de plaats waar de Duitsers enkele huizen hadden laten afbranden, was een herdenkingshof aangelegd met daarin een beeld van een treurende vrouw. Daar werden kransen gelegd. Veel Puttenaren gingen er nooit naartoe. „Het idee leefde dat het alleen voor 
de nabije familie van de slachtoffers was. Overigens was er vroeger haast geen Puttenaar die niet een nabij of ver familielid betreurde.”

De herdenking trekt elk jaar 1500 tot 3000 mensen. Om de vijf jaar gaat er een bijeenkomst in de Oude Kerk aan vooraf. „Dit jaar houdt de predikant van de hervormde Andreaskerk de meditatie; hij is zelf van Duitse afkomst. Eigenlijk zouden we zo’n bijeenkomst elk jaar willen houden.”

Wat elders in het land een probleem is, is in Putten al tientallen jaren gewoonte: de deelname van Duitsers aan de plechtigheid. Het betreft burgers uit dorpen in de omgeving van de vroegere concentratiekampen. Hun voorvaders hebben geprobeerd de gevangenen te helpen.

Gevoelig blijft het wel, zegt Van Dompseler. „Er zijn ook Puttenaren die als een Duitser hun de weg vraagt, hem bewust de verkeerde kant op sturen.”

Nog altijd wordt in alle Puttense kerken op de zondag na 2 oktober Psalm 84:3 en 4 opgegeven, de verzen die de mannen in de Oude Kerk zongen voordat ze werden weggevoerd.

In de Gedachtenisruimte, dicht bij het monument, staan de slachtoffers op een halfronde wand vermeld. Van Dompseler wijst de namen aan van drie broers van zijn grootvader.

Er waren plannen gereed om in een leegstaand pand, even verderop, een museum over de razzia in te richten, maar dat gaat niet door omdat een geldschieter zich op de valreep terugtrok.

De weinigen die terugkeerden, zijn inmiddels overleden; als laatsten J. van Wincoop in 2011 en J. Priem in 2013.

Onwaarschijnlijk

Van de weduwen van de slachtoffers zijn er nog drie tot zes in leven. „Vanwege de Wet op de privacy mogen instanties ons vaak geen gegevens verstrekken. Op grond van de transportlijsten concluderen wij dat er 659 mannen zijn weggevoerd. Melis van Twillert is vaak meegerekend omdat hij in de kampen met de mannen uit Putten optrok, maar hij was niet tijdens de razzia opgepakt. Het 661e slachtoffer was volgens eerdere berichten Auban de Vries, een Jood die –wél opmerkelijk dat dat in 1944 kon– voor 35.000 gulden werd vrijgekocht. Hij bleek echter op de lijsten te staan en was dus al meegeteld.

Er zijn ook verhalen dat er nog meer arrestanten waren, maar dat die al tussen Putten en Amersfoort uit de trein zijn gesprongen. Dat is echter nooit bewezen en er zijn geen namen van bekend. Het lijkt ons onwaarschijnlijk: uit veewagons kon je moeilijk ontsnappen, en de trein reed daar stapvoets, dus er zou ongetwijfeld op vluchtelingen geschoten zijn.”

Niet gebombardeerd

Zo zochten Dekker en Van Dompseler de razziageschiedenis grondig uit. „In 1948 verscheen er een mooi gedenkboek van Tj. Wouters. Daar staat in wat er op dat moment bekend was, en van zo veel mogelijk gevangenen werd een foto geplaatst. Daarna is er nooit meer een overzichtswerk verschenen. Wel publiceerde dr. Madelon de Keizer over de verwerking van de razzia. Wij hebben de namen en gegevens in een Excelbestand gezet. Daardoor kun je allerlei selecties maken en conclusies trekken.”

Tal van verhalen zijn volgens de auteurs niet helemaal –of helemaal niet– juist. „Jannes Priem, de laatste overlevende, vertelde altijd hoe de boot waarop de Duitsers hem wegvoerden, in de Lübecker Bocht werd gebombardeerd. Wij kwamen er echter achter dat hij op 2 mei 1945 veilig in Zweden is aangekomen en dat het schip vol gevangenen pas op 3 mei door bommen is getroffen. „Jannes, klopt dit wel?” zeiden we voorzichtig. Hij moest er wat om lachen. Hij zag ook wel in dat mensen hun herinneringen soms verwarren met verhalen van anderen.”

Vraagtekens plaatsen de auteurs ook bij de stelling van Gert van Emous dat zijn vader er op zijn sterfbed over sprak dat in Kamp Amersfoort tien mensen plotseling zijn vrijgelaten omdat ze de aanslagplegers (zie kader) verraden zouden hebben. „In werkelijkheid zijn die daders tientallen jaren onbekend gebleven. Dat blijkt ook wel: geen van hen is door de Duitsers opgepakt. Een van de daders behoorde tot de weggevoerde mannen, maar heeft gezwegen. Een andere aanslagpleger was kort na de oorlog jarenlang gemeenteraadslid, en dat zou vast niet gebeurd zijn als bekend was geweest dat hij bij de aanslag betrokken was.”

Zo is er ook het verhaal dat die 58 mensen werden vrijgelaten omdat ze ouder dan 50 jaar of vader van een groot gezin waren. „Dat is onjuist. We kunnen wel wat beweren, maar we moeten de feiten laten spreken. Dat hebben we in dit boek gedaan.”



Stichting Oktober 44, Midden Engweg 1, 3882 TS Putten