Stichting Oktober 44
  • Oktober 44

    Een aanslag van een verzetgroep bleek voor de bezetter aanleiding tot een vreselijke
    vergeldingsactie...

    Ongeveer 110 huizen werden in brand gestoken...

  • Oktober 44

    Putten was in oktober 1944 het toneel van de ergste wraakactie die Duitsers in de Tweede Wereldoorlog in Nederland hebben begaan.

    Vrouwen gingen de hongerwinter in zonder man.

  • Oktober 44

    Een echte, georganiseerde illegaliteit was er niet in Putten in de eerste jaren van de oorlog.

    Pas in 1944 kwamen enkele groepen tot stand.

Gerrit Kamphuis
November 1944: Amsterdam-Putten-Zwolle per fiets vice versa

(Dagboekfragmenten, gekozen en ingeleid door dr. Hans Werkman)

Inleiding
Gerrit Kamphuis (1906-1998) was afkomstig uit Zwolle. Zijn gegoede ouders (zijn vader was directeur van het familiebedrijf Kamphuis Bouwmaterialen) woonden Emmawijk 5. Hijzelf studeerde aan de VU Nederlands en geschiedenis en woonde beurtelings in Zwolle en Amsterdam. Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog was hij als reserveofficier commandant van de grenspost Holterhoek. In 1941 studeerde hij af met een doctoraalscriptie over de reien in de zeventiende-eeuwse drama’s. Hij keerde terug naar Zwolle om daar leraar aan het Christelijk Lyceum te worden. Hij overwoog een biografie van de Zwolse romanschrijver J.K. van Eerbeek te schrijven, en daarna een proefschrift over de dichter Constantijn Huygens, maar van beide is niets gekomen.

Omdat in 1943 reserveofficieren naar Duitsland dreigden gevoerd te worden, dook hij onder in Amsterdam, onder anderen thuis bij Jan H. de Groot en bij ds. J.J. Buskes. In Amsterdam woonde ook zijn ruim tien jaar oudere vriendin Betty Simons Cohen, met wie hij een ‘latrelatie’ had. Al voor de oorlog had hij enkele dichtbundels gepubliceerd. Samen met de dichters H.M. van Randwijk en Jan H. de Groot stelde hij nu het Nieuw Geuzenliedboek samen. In februari 1945 trad hij toe tot de illegale inlichtingengroep ‘Albrecht’. Kort na de oorlog trouwde Gerrit Kamphuis met Betty Simons Cohen. Van 1947 tot 1950 was hij commandant van een bataljon Nederlandse militairen op Zuid-Sumatra. Daarna werkte hij als leraar Nederlands aan de Vrije Leergangen te Amsterdam. Van 1954 tot aan zijn pensionering was hij Hoofd afdeling Kunstzaken van de gemeente ’s-Gravenhage. Van 1936 tot 1947 hield Gerrit Kamphuis met tussenpozen een dagboek bij. Literair-historische fragmenten daaruit publiceerde ik in 2005 in het literaire tijdschrift Liter. Een fragment uit zijn oorlogsdagboek-1944/1945 volgt hieronder: een verslag van zijn fietstocht van Amsterdam naar Zwolle, in het najaar van 1944, om eten en kleren te halen.


1 November 1944
Eergisteren uit Zwolle een pakje ontvangen met 2 stel wollen onderkleeren en eenige voedingsmiddelen. Johan S.N.  was er per fiets heen geweest. Een uitkomst, daar ik nog maar drie stel zomerondergoed heb, grootendeels versleten. Gistermiddag en vanmorgen voor acht uur tevergeefs geprobeerd Zwolle op te bellen. Door hard werken tracht ik de spanning van de tijd een beetje te ontgaan. Maar het boodschappen doen vergt veel tijd en kost soms uren loopen. Drie artikelen in voorbereiding, maar ik kan ze niet voltooien daar de vereischte gegevens uit bibliotheken en archieven niet bereikbaar zijn.

8 November woensdagavond
Donderdag l.l. besloot ik, om verschillende redenen, naar Zwolle te gaan. Ik liet van de fiets van Marianne  het zadel hooger zetten en de banden nakijken en vertrok Vrijdagmorgen even over zes uur. De lucht was bewolkt, maar de reeds afnemende maan scheen. Om half zeven passeerde ik de Berlagebrug en reed vervolgens over Weesp en ’s-Graveland naar Hilversum. In ’s-Graveland begon het te stortregenen, maar ik fietste door, vergezeld van een jongedame, die zich bij Diemerbrug bij mij gevoegd had en naar Hilversum moest. Zij noodigde mij in ’s-Graveland bij familie om wat te droogen, maar ik vond het beter verder te gaan. In Hilversum en Baarn zaten nogal wat D-ers.  Van Baarn reed ik over een eenzame weg door een onafzienbare polder naar Nijkerk, in de verte Bunschoten passeerend. Er stond een geringe Westenwind, zoodat de trap gemakkelijk was.

Van Nijkerk de straatweg volgend, bereikte ik Putten. Tot mijn verbazing waren de wegen overal als uitgestorven, hoewel ik toch op minder dan 70 K.M. van het front was. Vele huizen in Putten waren moedwillig vernield. De vrouw van het restaurant waar ik mijn brood at, vertelde van de verschrikkingen, die hier voorgevallen waren: de vrouwen waren samengedreven in de kerk, waar zij twee dagen opgesloten zaten, de mannen werden verzameld op het kerkplein. Wie thuisbleef werd neergeschoten. Op de onzinnigste wijze werden de mannen geplaagd. Nu eens zette men hen tegen de muur als om ze dood te schieten, dan weer voor een kuil, met de opmerking, dat deze hun graf zou worden. Anderen moesten in een rij achter elkaar voorover met de neus op de grond gaan liggen, op de straatweg, waarbij zij te hooren kregen, dat hun laatste uur geslagen was. Een dag en een nacht werden zij in een school opgesloten zonder eten of drinken. Ten slotte werden zij naar Amersfoort gevoerd en vandaar naar Duitschland.  De man van de zegsvrouw was om onverklaarbare reden juist eenige dagen tevoren uit Amersfoort teruggekomen; hij zag er geel en mager uit, ik zag hem wat rondscharrelen in de tuin. De ergste vernielingen heb ik niet gezien, deze zijn op de weg naar Garderen. Er zijn in heel Putten geen mannen meer, behalve grijsaards en jongens.

Door het bosch reed ik naar de Zwarte Boer. Het was er prachtig. De zon wierp mistige mistbundels tusschen de stammen door, de bodem was dik bedekt met roodbruine bladeren waaruit een humusgeur opsteeg, hier en daar weerklonken de bijlslagen van houthakkers, die de volstrekte stilte en rust nog te duidelijker deden uitkomen. Uit het bosch komend, had ik een ver uitzicht in de richting van Elspeet, Vierhouten, enz., heidevelden met hier en daar uitloopers van denneboschjes, zich verliezend in de blauwgrijze nevels van het verschiet. Daarboven de tere pasteltinten van licht hemelsblauw en doorzichtig groen tusschen grijs-paars-bruine wolkenmassa’s. Soms schoot een bontgekleurde Vlaamsche gaai lawaaierig het dorre struikgewas in. Een paar kilometers vóór de Zwarte Boer verliet ik, om de weg te bekorten, het fietspad. Maar deze landweg was zoo, dat ik af en toe moest loopen. Van de Zwarte Boer voerde eerst een harde weg en toen een fietspad tot even onder Nunspeet.

In die plaats werd ik gewaarschuwd voor een razzia. Ik ging behoedzaam verder, maar zag op de nieuwe weg alleen een aantal S.A.-jongens in marschcolonne opgesteld. In Doornspijk was een officier met eenige soldaten bezig op eigen houtje fietsen te gappen. Juist was hij klaar en kwam met de buit en de slachtoffers in mijn richting. Ik ben toen maar een zijweg ingeslagen. Steeds bleef het op de weg eenzaam en verlaten; slechts af en toe een vrachtauto of een paar fietsers. Bij de IJsselbrug, waar wat afweergeschut stond, maar overigens niets bijzonders te zien was, stond een schildwacht te kleumen, die mij niet aanhield. In Wezep had een man mij gezegd, dat hij de persoonsbewijzen controleerde. Dezelfde man deelde mee, dat de inwoners daar in de laatste 14daagsche distributieperiode een pond boter de man hadden gehad. En dat, terwijl in A’dam nu al meer dan een week niets te krijgen is. Om half vier kwam ik in Zwolle aan, reed er mijn neef  achterop, die stomverbaasd was mij te zien en wandelde met hem naar huis, waar men al even verwonderd was.

De volgende dag waren er razzia’s in de Diezerstraat, terwijl plakkaten verkondigden, dat er in Zwolle veel te weinig spitters waren opgekomen en er derhalve Maandag nog gelegenheid was zich te melen. Bij onvoldoende opkomst zouden er strenge maatregelen genomen worden. Daarom besloot ik Maandagmorgen maar weer te vertrekken. Na mijn winterkleeren bijeengezocht te hebben, en maatregelen tot veiligstelling van mijn bibliotheek te hebben getroffen, vertrok ik Maandagmorgen kwart over zes, voorzien van een lantaarn, die vader op de kop had getikt, kaarsen, eenige levensmiddelen voor B. en mij. Het Kleine Veer  kwam ik ongehinderd, maar met veel vertraging over wegens het wachten op de veerman, die het steigertje nog moest verleggen; want de waterstand was na de westerstormen van de vorige dag weer plotseling lager geworden.

Door Hattem en het Wezeperveld ging het naar Het Harde. Het was er overal zoo landelijk rustig, alsof er geen oorlog bestond. Van Nunspeet volgde ik dezelfde weg als op de heenreis. Maar de Westenwind werd iets sterker en zoo was het een zware trap. Weer at ik mijn brood in Putten. Vooral de tocht door de open polder tusschen Nijkerk en Baarn was zwaar. In ’s-Graveland moest ik wegens vermoeidheid rusten: in Het Wapen van Amsterdam dronk ik een glas limonade. Tegen zessen kwam ik, moe, koud en stijf te Amsterdam aan, maar gelukkig zonder eenige hindernis of ongeval. B. was heel blij mij weer te zien. Vanmorgen drie uur aan een stuk geloopen, naar Amstelveen heen en terug, om Johan S.N. het pakje te brengen, dat zijn moeder mij had meegegeven. Vandaag is Middelburg gevallen en daarmee Walcheren vrij. De haven van Antwerpen is nu toegankelijk, wat groote verwachtingen voor de krijgsbedrijven in de komende weken wekt.

Stichting Oktober 44, Midden Engweg 1, 3882 TS Putten