Stichting Oktober 44
  • Oktober 44

    Een aanslag van een verzetgroep bleek voor de bezetter aanleiding tot een vreselijke
    vergeldingsactie...

    Ongeveer 110 huizen werden in brand gestoken...

  • Oktober 44

    Putten was in oktober 1944 het toneel van de ergste wraakactie die Duitsers in de Tweede Wereldoorlog in Nederland hebben begaan.

    Vrouwen gingen de hongerwinter in zonder man.

  • Oktober 44

    Een echte, georganiseerde illegaliteit was er niet in Putten in de eerste jaren van de oorlog.

    Pas in 1944 kwamen enkele groepen tot stand.

In mijn gesprekken met Nijkerkers over hun ervaringen tijdens de Tweede Wereldoorlog, merk ik dat sommigen pas nu het allemaal zo lang geleden is, kunnen vertellen over hun oorlogsverleden. Via andere kanalen krijg ik soms unieke informatie. Van diverse kanten ontving ik dagboeknotities. Zo kreeg ik toestemming van de zoon van Callenbach-directeur Huib Knottnerus om het dagboek van zijn vader te gebruiken voor het schrijven van een artikel in de Amersfoortse Courant. Huib Knottnerus hield de eerste dagen van de gijzeling een dagboek bij. De angst voor wat komen gaat, het geloofsvertrouwen en vooral ook het verlangen naar vrouw en gezin komt op elke pagina terug.


Ruim 600 mannen werden op 1 oktober 1944 weggevoerd uit Putten. Maar ook Nijkerk ondervond de gevolgen. Behalve dat onder de afgevoerde mannen zich ook 23 mannen uit die stad bevonden, arresteerden de Duitser ook nog eens 44 vooraanstaande Nijkerkers. Twee maanden lang werden ze vastgehouden in het plaatselijke stadhuis. Uitgever Arnold Knottnerus was een van hen en hield van de eerste weken een dagboek bij.


Zonnige herfstdag

Het was een prachtige, zonnige, rustige herfstdag, die zondag 1 oktober. De rust werd op ‘s middags echter ruw verstoord door het bericht dat de weg naar Putten was afgezet en dat er een razzia plaatsvond. Om zeven uur ’s avonds begon die ook in Nijkerk. De meest aanzienlijke inwoners van de stad werden van huis gehaald en naar het stadhuis getransporteerd. Was de man niet aanwezig, dan moest zijn vrouw mee, soms hoogzwanger of nog kleine kinderen achterlatend. Zestien dames waren er onder de gijzelaars. De meesten van hen kwamen na enkele dagen weer vrij.

Knottnerus was directeur van uitgeverij Callenbach. In zijn dagboek beschrijft hij de dagelijkse gang van zaken, maar uit hij ook een sterk verlangen naar hereniging met zijn gezin en getuigt hij van een sterk geloofsvertrouwen:

“Zondag 1 october ’44 met Antoinet, Aletta, Bauke en Huibje tezamen naar de kerk geweest. De zondag verder allen heerlijk samen in huis doorgebracht, met de kinderen spelletje gedaan, gewandeld, om tegen zes uur de avondboterham te gebruiken. Ongeveer kwart voor zeven, de kinderen gaan nog even naar buiten om van het mooie weer te genieten, Antoinet neemt de tafel af, ik ga voor zitten, staat een auto voor het huis stil, waaruit een Duitse militair komt, die vraagt of ik thuis ben. Mij wordt verzocht in te stappen. Nadat mevrouw Van der Meij en de heer Van der Waals ook gehaald worden, wordt er gereden naar het gemeentehuis in Nijkerk waar we in de raadszaal worden gelaten. Hier bevindt zich Burgemeester Bruins Slot en geleidelijk komen ’s avonds allerlei mensen binnen, zowel dames als heren, totaal ca. 40. Allen ondergebracht in de keurige raadszaal van Nijkerk.

Vanaf het weggaan van huis blijft steeds in mijn gedachte, wat de toekomst brengen moge, wij zijn in des Heren hand. Wat een genade Gods, zo gesterkt te mogen worden, wat een kracht en rust geeft dit. Wij horen van ontstellende dingen uit Putten. Zo gaan wij de nacht in, onzeker, maar niet onzeker van de kracht Gods, van de innige liefde van Antoinet en de kinderen en allen die ons lief zijn. Ds. Luteijn gaat voor in gebed. Biddende trachten wij wat rust te vinden voor ons lichaam.”

‘Bleeke Bet’

De volgende dag, maandag 2 oktober, zagen de gegijzelden vanuit het raam uit de Raadszaal – die boven in het gemeentehuis was – een rode vuurgloed boven Putten. 104 woningen stonden er in brand en het gerucht verspreidde zich dat ook Nijkerk dat lot zou ondergaan… mits de Duitsers te horen kregen wie de aanslag had gepleegd. Zo ver kwam het niet.

De bewaking door de Duitsers was vooral die eerste dagen erg streng. Een Duitse militair, “het over ’t paard getilde onderofficiertje “Bleeke Bet” “, aldus Knottnerus, schepte er een genoegen in om met zijn revolver rond te zwaaien en zo de gijzelaars angst aan te jagen

Soms namen leden van de Duitse Sicherheitsdienst (SD) mannen mee voor ondervraging. Zo werd de schilder Fok van Slooten geregeld verhoord omdat de SD meenden dat hij lid was van de Ondergrondse. De kreten die hij tijdens zijn martelingen slaakte, bereikten ook de gijzelaars in de raadszaal. Na terugkomst kreeg de gemolesteerde Van Slooten van de Duitse bewaking een hartversterker om op krachten te komen.

Sleutel

De Duitse bewaking bestond uit 25 landmachtmilitairen van 18 tot 45 jaar die bij de afdeling dienden van de Duitse marine die in Nijkerk was gelegerd. Ze waren ondergebracht in de voormalige timmerfabriek van Tijsseling. Zo liet een al wat oudere soldaat uit het Ruhrgebied de sleutel van zijn huis zien. Het huis zelf was weggebombardeerd door geallieerde vliegtuigen.

Ontspanning zochten de mannen in lezen en spelletjes. Vooral loodgieter Boterenbrood was een geducht schaaktegenstander van een van de Duitse officieren. Soms waren de mannen luidruchtig en baldadig en hielden ze kussengevechten – waardoor er eens een fors gat kwam in de prachtige achttiende-eeuwse wandschilderingen in de raadszaal.

Vrouw en kinderen

Al gauw werd het regiem iets milder. Zo mochten de gegijzelden al na enkele dagen drie keer per dag beneden eten komen halen. Zo konden ze heel even hun vrouw of kinderen spreken.

Die contacten waren belangrijk voor hen. Ze zagen steeds verlangend uit naar contact met hun familie. Knottnerus: “ ’s Ochtends om 6 uur gaat men zich zo geleidelijk aankleden. Om 7 uur ben ik ook present, daar dan de kans is dat men weer contact kan krijgen. En ja, op de stoep krijg ik de kans even een kus aan Antoinet te geven. (…) Eieren en peren worden verorberd, wetende dat men dit met zo’n liefde geeft, wordt het dan ook dankbaar genoten.”

Van Essen

Veel te danken hadden de gijzelaars aan de familie Van Essen, waarvan de man bode op het stadhuis was en die in een appartement naast de raadszaal woonde. “In de schemer komen ’s avonds de Nijkerkers aan de praat, onderbroken door een tijdje te vertoeven in de keuken van de familie van Essen, waar chocolademelk en borstplaat wordt genoten”, noteerde Knottnerus.

Wanneer er verjaardagen waren, werden die op bescheiden wijze gevierd in de huiskamer van de familie. Ondertussen zorgde familie van de gegijzelde slager Bos voor wat hartige hapjes en de vader van de nog jonge gijzelaar Emiel Zwetsloot leverde via Van Essen ‘fijne dranken’ uit zijn drankenhandel.

 

Herdenkingsraam


Op 1 december werden de ongeveer dertig mannen die nog overgebleven waren vrijgelaten. Uitgezonderd de drie jongste van achttien tot begin twintig jaar. Die bleven vastzitten tot 5 december. De eerste jaren na de oorlog ontmoetten de ex-gijzelaars elkaar op 1 oktober op het stadhuis. Een ‘Commissie der Gijzelaars’ nam in 1947 het initiatief om een herdenkingsraam aan te brengen. Ex-gijzelaar en kunstenaar Fok van Slooten maakt het raam dat nu nog in het oude raadszaal is te zien. Van de 23 Nijkerkers die tijdens de razzia van Putten waren weggevoerd, overleefden er slechts twee de oorlog.

 

 
Bovenstaand artikel schreef Anton van Renessen 22-10-2011 voor het AD/Amersfoortse Courant. Naast het dagboek van Knottnerus bevat het artikel informatie uit al bestaande literatuur en uit interviews van het project Getuigen Verhalen, een programma van het ministerie van VWS.

Stichting Oktober 44, Midden Engweg 1, 3882 TS Putten