Stichting Oktober 44
  • Oktober 44

    Een aanslag van een verzetgroep bleek voor de bezetter aanleiding tot een vreselijke
    vergeldingsactie...

    Ongeveer 110 huizen werden in brand gestoken...

  • Oktober 44

    Putten was in oktober 1944 het toneel van de ergste wraakactie die Duitsers in de Tweede Wereldoorlog in Nederland hebben begaan.

    Vrouwen gingen de hongerwinter in zonder man.

  • Oktober 44

    Een echte, georganiseerde illegaliteit was er niet in Putten in de eerste jaren van de oorlog.

    Pas in 1944 kwamen enkele groepen tot stand.

Lezing J.D. Bennemeer 22 Mei 1996


Putten, 22 mei 1996

Het is dit jaar 52 jaar geleden dat wij, bewoners van Arnhem en Oosterbeek en omgeving een beroep deden op Uw gastvrijheid. En na 52 jaar nodigt de stichting mij uit om de belevenissen van mij en het gezin waartoe ik behoorde, want daartoe wil ik mij graag beperken, te komen vertellen. Waarom heb ik mij niet eerder aangemeld om het verhaal te vertellen? Waarom niet eerder die uitnodiging? Is het omdat de meesten van ons na de opbouw van hun gezin en carrière nu in de dieper wordende stilten van ons leven de balans daarvan opmaken? Is het omdat nu de levenszon wat lager aan de horizon gaat staan, en de schaduw van de herinneringen groter wordt? De leerlingen van mijn school zagen en mijn kleinkinderen zien geloof ik in de (gelukkig nog maar enkele) rimpels van mijn gezicht lijnen, waarop een verhaal geschreven staat; een verhaal van vroeger. Eén van de rimpels vertelt het verhaal van de oorlog en een gedeelte ervan is mijn evacuatietijd hier in uw midden. Op maandag, 25 september 1944, moesten de Arnhemmers hun stad verlaten, nadat de slag om de Rijnbrug op een fiasco was uitgelopen. Wij hadden mensen in huis, die al eerder uit de binnenstad gevlucht waren. Dat waren o.a. Hendrik en Bertha Wolbert. Toen wij in de buitenwijken ook het bevel kregen de stad te verlaten was de vraag: „Waarheen?“ Op voorstel van de fam. Wolbert werd Putten als reisdoel gekozen, omdat zij daar familie had wonen, n.l. de fam. Ganzevles op de Spreng. Hoe mijn ouders de moeilijke keus maakten van wat nemen we wel en niet mee en hoe wij ons huis achterlieten laat ik hier in het midden.

Met onze bagage op fietsen geladen togen wij naar Putten. Tussen duizenden lotgenoten gingen we van Arnhem naar Apeldoorn. Ik bespaar u ook de details van die tocht. Het was afgrijselijk. Oude en zieke mensen op wrakke wagens, die soms onder hun last bezweken, luchtaanvallen, gewonden, doden, omdat de Duitsers zich met hun militaire voertuigen tussen de vluchtelingen begaven. Het meest is mij bijgebleven, de stilte van die stoet. Behalve natuurlijk tijdens de luchtaanvallen. Alleen geratel en gepiep van wielen en karren, fietsen enz. Verder leek het of een urenlang aanhoudende zucht uit de menigte opsteeg. Bij Terlet verzorgden mensen van het Rode Kruis de gewonden en zij gaven iedereen een grote mok melk. In Apeldoorn kregen we bij mensen waar we van het toilet gebruik maakten, thee, of beter Santé! In Barneveld hebben we in een oud boerderijtje nog wat gerust en tegen de avond arriveerden we doodmoe op de Spreng. Wat werden we daar onthaald. Grote sneeën zelfgebakken brood met eigengemaakte boter en dikke plakken worst. De nacht mochten we doorbrengen in een door de familie Ganzevles beheerd zomerhuisje aan de overkant van de weg. Het was, meen ik mij te herinneren eigendom van een predikant uit het Westen. Na de lange tocht en na bijna een week niet of nauwelijks geslapen te hebben, zijn we daar doodmoe in slaap gevallen. Toen we de volgende morgen wat laat wakker werden had Ganzevles niet stilgezeten die morgen. Hij had al een definitiever onderdak voor ons geregeld. We konden terecht in een kein zomerhuisje dat stond achter het huis van Kobus Schuit. Hij, zijn vrouw en dochtertje hebben ons heel gastvrij ontvangen. Vol bewondering heb ik naar het klompen maken van Kobus gekeken en mij onder zijn leiding verder bekwaamd in het hanteren van de spanzak, de aks en het hiepje. Het werd zondag. De 1e oktober 1944. Zoals we thuis ook gewend waren gingen we naar de kerk. Onwennig zochten we een plaatsje in de langzaam vollopende kerk. We zaten nog maar nauwelijks of de voorlezer raadde de mannen tussen de 15 en 55 jaar aan de kerk te verlaten i.v.m. een dreigende razzia. Of er toen al iets gezegd is over de aanslag bij de Oldenallerbrug weet ik niet. Mijn moeder, vader, zusje en ik liepen snel het dorp door naar de Rijksweg. Tussen de uit de richting Ermelo fietsende Duitsers staken we die weg over. Aan de overkant kwamen we al snel achter een haag terecht, die ons aan het oog onttrok. Het duurde niet lang of we werden ingehaald door een stel jongelui met paard en kar/rijtuig. Ze schreeuwden dat de moffen iedereen oppakten. Nog sneller liepen we naar ons huisje en wachtten daar de loop der gebeurtenissen af. Er gebeurde echter niets en in de namiddag ben ik naar buiten gegaan. Op de Watervalweg ontmoette ik een schoolvriend, die van uit Oosterbeek naar Putten gekomen was. Hij verbleef in een huis dat ‘Het Kaboutertje’ heette. We slenterden samen wat in de omgeving rond, toen we plotseling een vijftal Duitse militairen ontmoetten. Waar we vandaan kwamen? Van Arnhem, van Oosterbeek. Wat we buiten deden? Van één van hen kreeg ik een fikse draai om mijn oren en beiden kregen we het advies om naar huis te gaan en ons voorlopig niet buiten te vertonen!


Hadden we een stel goede Duitsers getroffen?

We zullen het nooit weten. Later die dag drongen de onheilspellende geruchten uit het dorp ook tot ons door. Later zagen we opnieuw een hemel, rood gekleurd door brandende huizen. Nu niet van Arnhem, maar van Putten! Mijn vader heeft zich dagenlang niet op straat durven laten zien. In de loop van die week ben ik wel in het dorp geweest. Wat ik daar te horen en te zien kreeg heeft meer indruk op mij gemaakt dan dat ik toen als tiener besefte. Ik kwam in contact met ene Berend. Hij kwam uit Hulshorst en hij was knecht bij Jut en Mijntje Veenhuizen, die op de boerderij bij de waterval woonden. Hij probeerde mij de eerste beginselen van het knollen plukken, het bieten rooien, en het onderhoud van de tuin enz. bij te brengen. En  ’s avonds was er wel eens een ‘muisje’ waar ik van smulde. De tijd verstreek en het werd in het kleine, enkelwandige houten huisje te koud en te vochtig. Via de familie Veenhuizen kregen we de beschikking over een zomerhuisje, tegenover hun boerderij. Zij beheerden dat ook voor een familie uit Haarlem. Wat was het daar gezellig. De cursus zagen en hakken kwam daar goed van pas, want hout was de enige brandstof voor koken en verwarmen. Mijn vader ging naar het evacuatiebureau in Putten om onze verhuizing door te geven en daar werd hem verteld dat we helemaal niet in Putten zaten, maar op Ermelo’s grondgebied. De keus was: Of naar het evacuatiebureau in Ermelo of vragen om onderdak in Putten. Mijn ouders besloten het laatste te doen, ook al omdat zij vreesden met een strenge winter het huisje niet warm te kunnen stoken. Toen kwamen we terecht bij de fam. Jansen. De heer des huizes was filiaalchef van Albino. In het pand is nu een beddenspeciaalzaak gevestigd en vorig jaar heb ik nog even rondgelopen op de plek waar destijds de grote kamer was waar we woonden, sliepen en aten. Daar maakte ik kennis met een ander beroep, n.l. dat van winkelier. Zo af en toe hielp ik met het afwegen van bijv. snoep of zout. Ook het rijden met een transportfiets was een nieuwe ervaring. Samen met hun zoon Gerrit maakte ik ritjes naar Ermelo, naar een grossier in Nijkerk enz. In Nijkerk woonde ook nog familie van mijn vader, de fam. Geijtenbeek. Hij was kleermaker. Ook daar ging ik dikwijls heen. Zo langzamerhand werd de voedselvoorziening een probleem. Het eten van de gaarkeuken was matig tot slecht, zonder dat de koks daar iets aan konden doen overigens. Daarom ging ik er op uit om de dagelijkse voedselvoorraad wat aan te vullen. Op mijn fietsje trok ik erop uit om bij de boeren wat op te scharrelen. En dat lukte meestal wel. Een knolraap, wat aardappelen, als het even kon wat melk. Dat lukte vaak niet omdat de boer de voor mij toen onbegrijpelijke spreuk:„De koeien staan droog“ sprak. En als ik dan de stal in keek en het dak inspecteerde kon ik daar niets tegenin brengen. Wat weet je daar als stadsjongen ook van. Ook ging ik met de ‘dorskast’ mee. Je kunt het je nu niet meer voorstellen, maar ’s morgens ging je naar de werkplaats waar de dorskast ’s nachts stond en dan luisterde je waar hij aan het werk was. Kilometers ver kon je het specifieke geluid horen. Zo stil was het. En dan met een zakje erop af en proberen door te helpen wat rogge of in een enkel geval wat tarwe te bemachtigen. Soms was er ook wel eens wat te eten en dat scheelde weer voor de thuisblijvers, want die konden dan ook mijn portie opmaken.

Bij die dorskast ontmoette ik een jongen, die aan de Voorthuizerstraat woonde. De huizen staan er niet meer volgens mij. Ze stonden met de achterkant naar de weg en hadden een vrij grote tuin achter het huis. Samen met hem ben ik dagen achter de dorskast aangegaan. Samen met hem werden we de experts in het roken van ‘eigen teelt’, het fermenteren ervan bijv. onder paardenmest enz. Zijn naam ben ik totaal kwijt. Wel leerde ik van zijn vader spoaien; 1, 2 of 3 spoaien diep. En hij vond mijn vader nogal schroai. Zo werd ik ook ingewijd in het Puttens dialect. Bij Albino werkte een winkelmeisje dat Fenna heette. Af en toe kon je op je bonnen raapolie krijgen. Die olie was geschikt om er een klein olielampje mee te maken, een z.g.n. drijvertje. Op een dag vroeg ze aan mijn vader: „Hen julie julie eulie al ehoald?“ Deze strijdkreet is sindsdien vaak herhaald in de familie. Bij de familie Jansen overkwam ons nog iets merkwaardigs. Mijn moeder liep achter de winkel in de tuin en toen hoorde ze aan de andere kant van de haag/schutting een vrouwenstem. Die kwam haar bekend voor. De dame aan de andere kant van de afscheiding bij Kuiper dacht hetzelfde van mijn moeders stem. Op een gegeven moment zei mijn moeder: „Ben jij dat Teuntje?“ en van de andere kant kwam het antwoord: „Ben jij dat Lies?“ Ze werkten beiden in Wolfheze in een blindentehuis in hun jonge jaren, om precies te zijn in 1928/29. Het weerzien was zeer emotioneel, vooral omdat haar man Gijs, ook bij de weggevoerden was.

Zijn naam staat op de panelen in de gedachtenisruimte: Gijs v.d. Born. Nog eenmaal zijn we verhuisd. Waarom precies weet ik niet meer. Het koken, wonen, slapen op één kamer kon de reden zijn. In ieder geval verhuisden we in januari 1945 naar de Voorthuizerstraat D52A waar Bertus en Heintje van Beek woonden met hun zoon Gerrit en dochter Jannie. Daar hebben we een hele fijne tijd gehad. Het waren echte schatten van mensen. We hadden daar de beschikking over een woonkeuken beneden en boven zelfs twee slaapkamertjes. Wat een luxe. Mijn fourageertochten gingen nu van daar uit. En op één van de dagen in de week startte ik bij een bakker in het Huinerveld geloof ik, waar ik een groot versgebakken stuk roggebrood kreeg. En zo scharrelde ik ons kostje op. Heintje keek af en toe misprijzend in onze pan als we van de gaarkeuken kwamen. Ze schudde haar hoofd dan en zei: „Moj dat eetn?“ Ze wilde ons van alles geven, maar dat wilden mijn ouders niet. Trots? Ik denk dat het was om nog een beetje zelfrespect te houden. We waren al zo afhankelijk van hun goedheid. Het oorlogsgeweld ging in Putten ook niet aan ons voorbij. Toen we bij Kobus Schuit zaten waren er nogal eens nachtelijke aanvallen op Duitse treinen. Op 13 november renden er wat Rotterdammers rond, die uit de trein gesprongen waren. Op één van de tochten naar Nijkerk bij Bijsteren konden we ternauwernood het vege lijf redden bij een luchtaanval. Ook bij de dorskast was het niet helemaal veilig als er jagertjes in de lucht ronddraaiden. Zo verstreken de weken en maanden. Soms werd mijn vader opgeroepen om bijv. kabelwacht te lopen, of moest hij de gasfabriek met een vlag Duitse voertuigen waarschuwen als er jagers in de lucht waren. Wij speelden met kinderen uit de buurt. Met één heb ik nog wel eens contact: Co Ruiter. Zijn moeder kon lekkere aardappelkoekjes bakken.
Natuurlijk volgden we de vorderingen van de geallieerden op de voet. Op een kompaskaart volgden we met draadjes wol en vlaggetjes precies waar de Tommy’s zaten.

Het werd 16 april.
Er drentelden een paar oude Wehrmachtsoldaten heen en weer op de weg. Ze droegen een z.g.n. Pantzerfaust. We vroegen wat ze van plan waren. „Als de Tommy komt snel afschieten en dan naar huis”, antwoordden ze. Het gevechtsgedruis kwam steeds dichterbij. Er wordt gemompeld dat Voorthuizen bevrijd is. Op 17 april aanschouwen we in de middag een chaotische terugtocht van een Duits legeronderdeel. De helft van de nog aanwezige motorvoertuigen wordt gesleept. Verder bestaat het materieel uit alle soorten karren. Een jammerlijk geheel. We denken dat ze tot niets meer in staat zijn. Later zal echter blijken, dat ze wel in staat waren een hinderlaag op te stellen, die de Canadezen nog veel schade en enkele doden heeft bezorgd. Tegen 6 uur ’s avonds wordt het stil. De merel fluit weer. In de verte horen we het geluid van handvuurwapens. Tante Heintje heeft een grote pan met capucijnerstampot gemaakt en ze nodigt ons uit die bij hen aan tafel te helpen leegeten. We zitten nog maar net aan tafel of de deur naar de deel gaat plotseling open. Een heel jonge, in gevechtstenue geklede Duitse soldaat staat in de kamer. Hij vraagt om wat drinken, maar z’n ogen zijn strak op onze borden gericht. „Of wou je ook wat eten, m’n jong“, zegt tante Heintje. In een mum van tijd zit hij bij ons aan tafel.

Zijn geweer heeft hij in de hoek van de kamer laten staan, bij de deur. Hij is zo volkomen weerloos. Hij is bang! Als we vragen waar de Engelsen zijn, zegt hij: „Hinter mir!“ Automatisch kijken we naar buiten, waar de ondergaande zon op het stukje hei tegenover het huis schijnt. Op dat moment weten we niet, dat een Canadese patrouille al in de ‘De Heihaas’ is en ons huis nauwlettend in de gaten houdt. De jonge militair schrokt zijn bord leeg, bedankt ons en verdwijnt weer door de achterdeur. Ook wij eten in spanning onze borden leeg. We kijken steeds naar buiten. Het is volkomen stil. Ook de twee oude Wehrmachtsoldaten zijn verdwenen. En dan zien we ineens mannetjes in bruingroene pakken uit de bosjes van ‘De Heihaas’ de hei oprennen. En op dat moment is het gebeurd met de stilte. In alle hevigheid wordt geschoten in de richting van Putten. We zien lichtspoormunitie horizontaal langs de berken voor ons raam schieten. De met zoveel zorg gebouwde schuilkelder is onbereikbaar geworden en we vluchten de kelder van het huis in. Boven ons is nu alleen de houten kamer vloer. En juist vanwege de geringe bescherming die die houten vloer biedt is de schuilkelder gebouwd! Al gauw ontbrandt er een hevige strijd. Af en toe horen we een ruit sneuvelen.

We horen het ratelen van rupsbanden en het geluid van zware motoren. Een serie hevige knallen. Alle dan nog aanwezige ruiten vliegen eruit. Het gevecht duurt de hele avond en een groot deel van de nacht. Af en toe zien we soldatenbenen voor het raam in het keldergat. Vanuit die dekking wordt met mitrailleurs geschoten en de groene mondingsvlammetjes verlichten spookachtig de kelderruimte. We horen een getroffen Canadees om water smeken. Hij roept ook om zijn moeder. Het roepen wordt steeds zwakker en houdt tenslotte op. Ineens wordt er op de deur geslagen. Mijn vader gaat open doen. Er wordt meteen een wapen op hem gericht en in het Engels wordt gevraagd of er Duitsers in huis zijn. M’n vader antwoordt ontkennend en vraagt om een sigaret. Helaas, hij treft een niet-rokende militair. Langzamerhand neemt het gevecht af. En als het buiten helemaal stil is geworden, wagen we ons naar buiten. Het is dan een uur of zes. Wat we zien is onbeschrijfelijk. Het huis van de buren heeft een voltreffer van een granaat in het dak gekregen. De buurman loopt rond met beide handen ingezwachteld. Toen de granaat in het dak van zijn huis insloeg, is hij met zijn gezin het huis uitgevlucht en heeft hij een schuilplaats gezocht in een van rietmatten opgetrokken schuurtje.

Hij heeft, radeloos van angst, zichzelf en zijn gezin met zijn handen ingegraven. In ons huis is geen enkele ruit heel gebleven. Weliswaar is het huis niet door granaten getroffen, maar wel is er met mitrailleurs dwars doorheen geschoten. Voor het huis staat een kapotte tank op de weg. Er staat ‘Amherst’ op. Erachter staat nog een Canadees voertuig in brand. Een brencarrier? Af en toe ontploft er wat van de in de wagen aanwezige munitie. Overal op straat en rond huis liggen militaire uitrustingsstukken. Ook een paar blikjes Corned Beef, die we naar de vrouwen in de kelder brengen. Het ergste is echter, dat er op het erf het lichaam ligt van een Canadees militair. Het is de soldaat, die we ’s nachts hebben horen roepen en die we toen geen hulp konden bieden. Hij is nog erg jong. Hij blijkt in de onderbuik getroffen te zijn. Wat verder van het huis af liggen nog 3 gesneuvelde Canadezen. Ook een aantal Duitse soldaten is gesneuveld. Degene die bij ons gegeten heeft is er niet bij. Wat verder in de richting van het dorp staat een vernietigde Duitse tank. Het zien van de gesneuvelde Canadese militairen schokt ons diep. De dode Duitsers laten ons volkomen koud! Nu, in 1992, denk ik: „Hoe kon je toch zo - letterlijk ten dode toe - haten?“ Wat maakt een oorlog veel kapot. Ook ín een mens. Voor ons huis zit in een schuttersput een Canadees met een Brengun. Hij moet, zegt hij ons huis in de gaten houden, want ze hebben er een Duitser zien binnengaan, maar ze hebben hem niet meer naar buiten zien komen, dus hij moet nog binnen zijn.

We zeggen dat dat beslist niet het geval is en dan gaat hij met ons mee naar binnen om zich wat op te warmen. We bieden hem koffie aan. Hij krijgt er een snee brood bij. De koffie drinkt hij op, maar het brood verkruimelt hij en hij laat het stiekum in de kolenkit vallen. We krijgen sigaretten en mijn vader verbaast er zich dan over, dat ik zo geroutineerd zit te dampen. Toen heb ik hem maar opgebiecht, dat ik al maanden rookte. Na nog even het hele huis geïnspecteerd, verdwijnt de Canadees weer, na uitgelaten en emotioneel bedankt te zijn door ons allen. Buiten is het intussen drukker geworden. Rond de huizen rijden z.g.n. vlegeltanks door de velden. Men vermoedt dat de Duitsers mijnen hebben gelegd. Voor die tanks draaien met grote snelheid kettingen met ijzeren ballen eraan, rond. Door die op de grond slaande ballen komen de eventueel aanwezige mijnen tot ontploffing. Ik heb niet kunnen waarnemen of er echt mijnen gelegen hebben. Na een poosje rondgereden te hebben verdwijnen de tanks in de richting van het dorp. Steeds meer militairen komen uit de richting van Voorthuizen gelopen. Ze lopen achter elkaar, de wapens tot schieten gereed. Ze zijn waakzaam, al maken de enthousiaste toejuichingen dat heel moeilijk.

Ze vermoeden dat er nog SS-ers in de bossen richting Groot Spriel zitten. Om een uur of negen komt, voorafgegaan door tanks, een eindeloze rij militaire voertuigen uit de richting Voorthuizen aanrijden. Ze gaan richting Putten en rijden met een tussenafstand van ongeveer 30 meter. Tot ver in de middag dreunen ze langs ons heen. Urenlang hebben we langs de weg gestaan en gejuicht en gelachen. Tot de spanning van de laatste maanden en de 5 oorlogsjaren brak. Het lachen van mijn vader ging over in huilen. Hij was bijna niet tot bedaren te brengen. In de namiddag wordt er op ons erf de keukenafdeling van een batterij veldgeschut ingericht. Eén van de eerste dingen die we kregen aangeboden is witbrood met jam. Heerlijk vers witbrood. Na één hap weten we waarom onze Canadees van vanmorgen ons brood in de kolenkit deponeerde. De strijd heeft bij ons in de buurt ook het leven gekost aan Jo Arends. Hij werd getroffen toen hij tijdens een vuurpauze naar buiten ging. De gesneuvelde Canadese militairen zijn: C.L. Pewtress, J. Wakula, hoogstwaarschijnlijk degene die om water riep, F.L. Waters en J.B. Wallace. Met hun familieleden heb ik sinds enige tijd vrij intensief contact.

Zij zijn heel erg dankbaar dat hun namen vermeld staan in de gedachtenisruimte en op het (voorlopig) monumentje aan de Voorthuizerstraat. In augustus hopen mijn vrouw en ik hen weer te ontmoeten, nu in Canada.  Na de bevrijding konden we niet direct naar huis. We moesten wachten tot begin juni. De periode, doorgebracht in Putten, vergeet ik nooit. De mensen, die ons onderdak verleend hebben of aan onderdak geholpen hebben, vergeten we  niet. Tot aan hun dood zijn Bartus en Heintje en mijn ouders vrienden gebleven. En u of uw ouders hebben mij misschien dat koolraapje, die paar aard-appelen, dat litertje melk, dat zakje rogge gegeven. Voor al de uwen, die het leed van de onzekerheid over familieleden met zich meedroegen en toch ruimte in hart en huis hadden om ons te herbergen, voor allen draag ik een monument van dankbaarheid mee in mijn hart.

J.D. Bennemeer

Stichting Oktober 44, Midden Engweg 1, 3882 TS Putten