Stichting Oktober 44
  • Oktober 44

    Een aanslag van een verzetgroep bleek voor de bezetter aanleiding tot een vreselijke
    vergeldingsactie...

    Ongeveer 110 huizen werden in brand gestoken...

  • Oktober 44

    Putten was in oktober 1944 het toneel van de ergste wraakactie die Duitsers in de Tweede Wereldoorlog in Nederland hebben begaan.

    Vrouwen gingen de hongerwinter in zonder man.

  • Oktober 44

    Een echte, georganiseerde illegaliteit was er niet in Putten in de eerste jaren van de oorlog.

    Pas in 1944 kwamen enkele groepen tot stand.

Mevrouw Heintje Grift-Koopman is geboren op 19 september 1924. Heintje groeit op in Bijsterensebroek op de boerderij van haar ouders in Bijsteren, een buitengebied van Putten. Ze maakt de Tweede Wereldoorlog en de razzia in Putten mee als jong volwassene.

Zondagmorgen 1 oktober 1944

“Zondagmorgen liep er al een Duitser voor het huis. Mijn moeder zei: ‘Wat loopt die mof hier toch geregeld.’ We hoorden dat er iets niet pluis was. We zagen vliegtuigen, meer dan anders. Mijn oudste zus Meesje en mijn broer Jan zijn naar de kerk gegaan. Mijn vader en oudste broer Peter gingen niet. ‘Nee,’ zei moe, ‘laat Peter maar niet gaan, want dat is een jonge vent. En va, ga ook maar niet’. Dus die zijn thuisgebleven. Voor de middag was het onrustig. Er waren steeds meer vliegtuigen, maar we wisten nog steeds niet wat er aan de hand was.

Terug uit de kerk

Op een gegeven moment komen Meesje en Jan terug van de kerk met het verhaal dat dominee Holland heeft gezegd dat alle mannen boven de zestien jaar beter naar huis kunnen gaan omdat er een razzia komt. Meesje zat boven in de galerij in de kerk, Jan zat beneden. Meesje is naar beneden gegaan om Jan te halen, maar Jan zei: ‘Ik ben toch nog geen zestien, ik ga niet mee’. Meesje heeft Jan bij de arm gepakt en hem mee naar huis genomen.


“Ziek”

Mijn broer Peter is naar bed gegaan. ‘Die is ziek’, zei mijn moeder. De Duitsers sloegen tegen de deur, ‘nee, hij gaat niet mee’ zei mijn moeder, ‘hij is ziek’. Ze wilden mijn vader meenemen. Maar Peter zei: ‘Ik wil niet dat mijn vader voor mij gaat, dan ga ik wel.’ Maar een oom zei: ‘Hier blijven. Jij komt misschien nooit meer terug.’ Maar mijn vader had een kans omdat hij 51 was. En zo is het gegaan. We wisten verder van niks.

Kogel door de kop

Ik ben die dag naar mijn verloofde Rinus gelopen. Hij woonde aan de Nijkerkerstraat. Hij was erg ziek, hij lag met difterie op bed. Een buurman die ik onderweg tegenkwam zei nog tegen mij: ‘Ga maar naar huis toe, het is niet vertrouwd, ga toch weer terug.’ Maar ik ben toch gegaan. Toen ik aan kwam zei Rinus: ‘Tjonge, deerne, hoe kom je hier?’ Ik zei: ‘Lopen, door de sloten en weer verder’. Ondertussen waren ze bij Rinus thuis alle jongens aan het verstoppen. Mijn schoonmoeder was een strabante vrouw. Als schoonzussen zaten we in de keuken en toen kwam er een mof binnen. Hij zei: ‘Waar zijn alle jongens? Zonet stonden ze nog achter het huisje, waar zijn ze nu allemaal?’ Mijn schoonmoeder antwoordde dat ze weg waren. ‘Moeten ze niet doen,’ zei de Duitser ‘anders krijgen ze een kogel door de kop’. Hij is nog gaan kijken bij Marinus, maar hij zag wel dat hij echt krank was. Mijn schoonvader zat achter een luik boven in een slaapkamer en heeft alles gehoord. Wat hadden we een angst. Vreselijk. Geen één van hen is meegenomen. Die avond ben ik weer naar huis gegaan.

Maandagmiddag

Op maandagmiddag stonden we als gezin vanuit de keukendeur te kijken wanneer de trein zou langs komen. We wisten dat de mannen met de trein vertrokken. Eén van ons, ik weet niet meer wie, zei: ‘Daar komt va aan.’ In zijn blauwe kieltje waar hij altijd in liep. Mijn moeder zakte zo naast ons neer. Hij had opgesloten gezeten in de Openbare School achter de kerk in het dorp. Hij is vrijgelaten omdat hij 51 was. Vlak daarna kwam de trein met de rode veewagons langs. In de wagons zaten luikjes waardoor allemaal handen uitstaken. Mijn vader zei: ‘Daar komen er misschien geen honderd van terug.’

Het hele huis leeggehaald

‘Van al diegene die naar huis zijn gestuurd komen ze zo het huis verbranden’, zei mijn vader. We hebben het hele huis leeggehaald. Het begon te regenen. We wisten niet meer waar we alles laten moesten. Mijn vader zei: ‘Laat maar natregenen. Je kunt er niks aan doen, als wij maar bij elkaar blijven.’ We sliepen in het gat in de hooiberg met wat dekens en matrassen.

Een week later

De eerste zondag na de razzia waren er geen mannen meer in de kerk. Bijna alleen maar vrouwen. Mijn vader was gelukkig teruggekomen en Peter was er ook. Mijn vader en mijn broers hielpen de hele buurt met melken, voeren en koren binnen halen. Mijn moeder ging op bezoek bij vrouwen in de buurt. Iedereen hielp elkaar. In Bijsteren was een gezin waarvan alle zeven jongens weggevoerd zijn. Ook mijn ooms en een overbuurman en een andere buurman zijn weggevoerd.”

 

Putten 2019

Stichting Oktober 44, Midden Engweg 1, 3882 TS Putten