Putten, oktober 1944
Verslag van het onderhoud met D. Veefkind
21 april 1947
Voorwoord
Dit document bevat de transcriptie van een onderhoud dat op 21 april 1947 werd gevoerd met D. Veefkind, destijds gemeentesecretaris van Putten. Het gesprek gaat over de razzia van 1 en 2 oktober 1944, de daaropvolgende ontruiming en brandstichting in Putten, en de eerste periode na de bevrijding. Veefkind beschrijft de gebeurtenissen vanuit zijn positie binnen het gemeentelijk apparaat en vanuit zijn persoonlijke ervaringen als inwoner van Putten.
De tekst is bijzonder waardevol omdat hij niet alleen de grote gebeurtenissen noemt, maar ook de alledaagse onzekerheid, de bestuurlijke chaos en de pogingen om weggevoerde Puttenaren op te sporen en terug te krijgen. Daarmee geeft het verslag een directe indruk van hoe de razzia en haar nasleep door betrokkenen kort na de oorlog werden herinnerd.
Bij deze transcriptie is de oorspronkelijke spelling en formulering zoveel mogelijk behouden. Duidelijk leesbare handgeschreven correcties en aanvullingen zijn waar mogelijk in de lopende tekst verwerkt.
Geïnterviewde: D. Veefkind
Geboortedatum en -plaats: 3 september 1899, Leiderdorp
Beroep: ambtenaar ter secretarie te Putten (vanaf 1 augustus 1920)
Adres: Poststraat 11, Putten
Godsdienst: Gereformeerd
Aanwezig: D. Veefkind en mr. J.P. Wildschut (R.V.O.)
Datum onderhoud: 21 april 1947.
Veefkind:
Wat de eerste Octoberdagen betreft kan ik U betrekkelijk weinig vertellen. Wij werden in de kerk gewaarschuwd (op Zondag 1 October 1944), dat den mannen beneden de 55 jaar verzocht werd de kerk te verlaten. Dit was in de Gereformeerde kerk; de boodschap werd gegeven, blijkbaar namens de kerkeraad, even voor de kerk begon vanaf de katheder. Als ik mij goed herinner, maakte ds de Jager dit bekend; hij zelf was boven de leeftijd. Het was toen tegen half tien in de ochtend.
Wildschut:
Weet U nog, met welke woorden hij deze waarschuwing doorgaf?
Veefkind:
Precies weet ik het niet meer, maar ik weet nog goed, dat het een korte mededeeling was: er werd in verband met bijzondere omstandigheden aangeraden naar huis te gaan. Ik ben toen naar huis gegaan; ik woonde toen ook hier. Ik was nieuwsgierig natuurlijk naar wat er zou gaan gebeuren. De overbuurman (Fengler), die katholiek is, kwam ook terug van de kerk en vertelde, dat ze op de Harderwijkerstraatweg bezig waren alle mannen tusschen 17 en 55 jaar op te pakken.
Veefkind:
In Mei '44 was ik al opgepakt geweest (ik had geholpen met zegeltjes voor onderduikers enz.), dus ik maakte, dat ik wegkwam. Ik ben heel rustig de Postweg opgewandeld en het bosch ingegaan. Als het gemoeten had, was ik doorgeloopen naar Leuvenum, waar ik kennissen had wonen, maar ik ben voorin het bosch gebleven. Al gauw kreeg ik gezelschap van twee lui, die daar ook woonden op de weg (Postema en Goedvree, de broer van den N.S.B.-er). Zijn vrouw kwam ons op de fiets waarschuwen, dat de moffen ook het bosch inkwamen, dus wij hielden ons doodstil in de struiken. Goedvree was het al gauw moe en wilde naar huis. Hij liep terug, wij liepen mee, ongeveer dertig meter er achteraan. Op een bocht van de weg was het blijkbaar niet zuiver, want hij werd aangehouden; waarom ik mij liet vallen in de struiken. Dat is mijn redding geweest. Ik ben niet gepakt, maar de twee anderen wel. Goedvree is meegegaan en niet meer teruggekeerd. De Driesscheweg hadden de moffen al afgezet, dus ik ben echt door de mazen heengeloopen, zonder dat ik het zelf besefte!
Veefkind:
Ik zag regelmatig menschen van de richting van Elspeet komen en weer terug gaan, waaruit ik begreep, dat het nog niet veilig was in Putten. Ik was echter wel een beetje nieuwsgierig en ben daarom heel voorzichtig naar de woning van den boschwachter gekropen (Kieft, van de hulppolitie); dat was omstreeks twee uur. Daar ben ik gebleven. De moffen kwamen langs de weg patrouilleeren, maar wij lieten ons niet zien om geen argwaan te wekken. 's avonds heb ik daar ook geslapen in een schuurtje met hooi. We lagen daar met een man of vijf, o.a. Rik Termaat van de Driesscheweg en Marten van Bloemendaal.
Veefkind:
Maandagmorgen om half negen wisten wij, dat alle mannen werden vastgehouden. Dat hadden we van de vrouw van Marten gehoord. Ook van Kieft kwamen we van allerlei te weten, die liep in en uit, maar het rechte van de zaak wisten we eigenlijk niet.
Veefkind:
Die Maandagmorgen is Kieft eerst naar het politiebureau gegaan en kreeg daar voor mij het seintje, dat ik maar rustig weg moest blijven en niet naar mijn werk moest gaan. Ik bleef dus waar ik was; de anderen zijn het bosch weer in gegaan richting Vierhouten.
Veefkind:
's Middags om half één kwam de echtgenoote van Van Bloemendaal ineens weer binnengestormd met de mededeeling, dat Putten zou worden afgebrand en dat de huizen verlaten moesten worden. Mijn vrouw wist waar ik zat, dus ik wachtte maar rustig af. Om vier uur moest alles in Putten weg zijn. Wij dachten aanvankelijk, dat Kieft als hulppolitie niet behoefde onder te duiken, maar de politie achtte het ook voor hem raadzaam weg te gaan. Dus ook ik moest weg daar. Kieft was nog bij mij thuis geweest en wist, dat mijn vrouw een onbekende dame als hulp had bij het inpakken. Bij de buren was het veilig en daar heeft mijn vrouw allerlei kleeren en koffers gebracht. Ik dacht echter, dat zij tien tegen één naar Ermelo zou gaan met de kinderen en besloot bij mezelf: 'Ik zal zien, dat ik daar ook kom.' Halverwege kwam ik echter menschen tegen, die mij waarschuwden niet verder te gaan, omdat ik er toch niet door kon; er was een heel cordon van Duitschers om Putten heen gelegd.
Veefkind:
Kieft had het beheer over een zomerhuisje, dat nauwelijks was afgetimmerd. Daar ging ik naartoe; Kieft kwam gelijktijdig met mij en vertelde, dat mijn vrouw juist bij hem was gekomen in de woning; zij zou nu ook hier komen. We zaten op het laatst met ongeveer twintig personen in dat kleine huisje, maar onze familie was bij elkaar.
Veefkind:
Die nacht hebben we weinig geslapen; je zag de heele boel branden en hoorde duidelijk de ontploffingen.
Veefkind:
De volgende morgen mocht alles weer naar huis; met die boodschap kwam Kieft. Ik wist, dat ons huis geen last had gehad, want ik had een briefje op mijn deur, dat mijn huis vrij van 'Aktion' was. Dat heb ik aan Van der Wal en Haaitsma te danken; die hadden alles met die moffen te maken en ik ging uiteraard veel met hen om op de secretarie, dus toen hebben ze ook een 'Bescherming' voor mij uitgeschreven. Aan hen heb ik dus eigenlijk te danken, dat mijn huis gespaard is gebleven.
Veefkind:
Om tien uur (Dinsdag 3 October) kwamen wij dus met de heele huishouding weer terug, met de kinderen en al hun speelgoedjes. Mijn vrouw had vele meubels achterin de tuin gezet en die hebben wij allemaal weer teruggesleept. De moffen hadden aardig huisgehouden; de portretten van Prinses Juliana en Prins Bernhard waren weg en ook een herinneringsbord was spoorloos verdwenen. van 40-jarig jubileum van H.M. de Koningin. De deuren hadden bij elk huis open moeten blijven, daarom hadden de moffen overal zoo gemakkelijk in kunnen komen.
Veefkind:
Gelukkig hadden wij tevoren de waardevolle dingen al weggebracht, zoodat ze niet veel hadden kunnen meenemen; ze hebben de pannetjes met eten alleen schoon leeg gegeten!
Veefkind:
Om twaalf uur kwam Van der Wal: of wij om twee uur maar weer op het gemeentehuis wilden wezen. Vervoorn was er als waarnemend burgemeester, de secretaris was weg en zoo werd ik belast met het waarnemend secretariaat, wat ik gedaan heb tot de bevrijding.
Veefkind:
Een drie maanden hebben wij Westerling als burgemeester gehad. Die was hier nauwelijks, of we kregen Hondius (regeeringscommissaris voor Gelderland) en Dr Schneider op bezoek. Schipper, de oud-gemeentesecretaris, moest toen op het matje komen; hij gaf echter voor ziek te zijn en kwam niet. Ze hebben hem toen direct ontslagen; ze wilden mij toen secretaris maken, maar dat heeft men sleepende weten te houden. Schipper had dertig dagen beroepstermijn, waarvan hij ook gebruik heeft gemaakt op het laatste moment. Even na de bevrijding kregen we alle stukken teruggestuurd zonder beslissing. Hondius was intusschen al weggegaan.
Wildschut:
Kwam er die Dinsdag 3 October nog wat bijzonders ter tafel?
Veefkind:
De chaos was erg groot, want wij hadden geen idee wie er weg waren uit Putten. Wij hebben zooveel mogelijk getracht een lijst samen te stellen van de menschen, die weggevoerd waren. Wij vroegen toen of de menschen dat wilden opgeven, maar dat bleek later mis te zijn, want we kregen toen verschillende namen op van menschen, die helemaal niet weg waren! Van het Afdeelingsbestuur van het Roode Kruis te Harderwijk hebben de Duitschers toen een lijst gehad van menschen, die niet gemist konden worden; ze zijn er zeer vlug bij geweest met die namen. Zuster Hop was de geestelijke motor daarvoor, die heeft dit alles bedisseld. Ook Bunt, een leeraar uit Harderwijk, heeft zich hiervoor erg ingespannen.
Veefkind:
Naderhand heeft een zekere Schaapman er twee uit Kamp Amersfoort gekregen, zijn broer en een zekeren Henning. Schaapman was een man, voor wien ik me altijd zeer in acht heb genomen. Hij is een keer weggeweest naar Brabant en toen hij terugkwam, had hij ineens een nieuwe persoonskaart. Later kreeg hij met zijn papieren bij de fietsenvordering zijn eigen fiets vrij, iets wat zelfs Haaitsma (de N.S.B.-gemeente opzichter) niet gelukt was. Hij kwam in die dagen met de mededeeling, dat hij wel kans zou zien nog meer menschen uit het Kamp te krijgen wegens gezinsomstandigheden. Wij hebben toen tot 's avonds laat zitten werken aan die lijst en hebben 17 à 18 menschen opgegeven, die door hun groote gezinnen in aanmerking kwamen voor vrijlating. Enkelen zijn uit andere hoofde losgekomen. Ik ben daar bij geweest met mijn collega Andree en een paar politiemannen, die ons moesten bijlichten en naar huis brengen.
Wildschut:
Hoe was de stemming op de secretarie? Hoe reageerden de N.S.B.-ers?
Veefkind:
Zij hebben zeer zeker geholpen met die briefjes en zoo. Zij vonden het allemaal heel belabberd en zij deden het voorkomen, dat zij hun best hadden gedaan om de ramp zooveel mogelijk te voorkomen. Maar het was al Dolle Dinsdag geweest, moet U niet vergeten...
Veefkind:
Ik geloof echter wel, dat zij hun best hebben gedaan. Schoften waren het niet; zij hebben zuiver de kans waargenomen, ze hebben getracht er wat uit te halen. Ze waren meer bij de N.S.B. uit materieele overwegingen dan uit zuiver idealisme.
Wildschut:
Zijn er later nog pogingen aangewend om Puttenaren los te krijgen?
Veefkind:
Ja, verschillende keeren, maar het stuitte altijd vast. Het moest altijd over de S.D. gaan. Westerling heeft het ook nog geprobeerd.
Veefkind:
We hebben ook nog een tragisch geval meegemaakt: Half December werd er opgebeld uit Amsterdam, dat Ter Braak, een van de weggevoerde Putters, zou vrijkomen en dat wij dat aan zijn vrouw moesten zeggen. Later had ik erge spijt, dat ik het meteen had doorgegeven, want je maakt ze blij voor niets; hij is nooit teruggekomen....(later is gebleken dat toen het bericht kwam, hij al overleden was)
Veefkind:
De gemeente heeft later weinig rechtstreeks ondernomen ter bevrijding van de gevangenen. Kapitein van Walt van Praag is direct na de bevrijding naar Duitschland gegaan om naar de Puttenaren te zoeken. Er is een commissie geweest, die zelfs pogingen wilde doen ambulances te organiseeren. Maar dat was natuurlijk ook niet rechtstreeks van de gemeente.
Wildschut:
De Heer Bunt heeft zich toch ook verdienstelijk gemaakt bij het opsporen van de gevangen genomen Puttenaren?
Veefkind:
Ja. Maar ik heb het altijd betreurd, dat zij alles buiten de gemeente om gedaan hebben. Wij zaten maar met drie man en dan de chaos, die wij hadden! Wij hebben altijd gedaan, wat wij konden doen.
Veefkind:
Na de bevrijding kwam Numan hier als loco burgemeester en die heeft er zich altijd betrekkelijk weinig aan de gemeenteadministratie gelegen laten liggen. Hij was erg met die commissie-Punt. Ik geloof niet, dat zij ons er expres steeds buiten gehouden hebben. Wij kregen wel de gegevens grootendeels van deze commissie en van Nijenhuis, toen hij terugkwam uit Duitschland.
Veefkind:
Van Walt van Praag kwam op Hemelvaartsdag '45 bij mij met een brief, inhoudende een lijst van personen, die hij levend had aangetroffen in Duitschland. Deze brief was geadresseerd aan den burgemeester. Hij had die brief ook aan Puttenaren laten zien, dus ik kreeg een stormloop van menschen. Ik ging toen naar den loco-burgemeester, Van Ganswijk, en die heeft de brief open gemaakt. Immers, hij was daartoe gerechtigd. Het was niet eenvoudig om die lijst aan de menschen mee te deelen, maar ze wilden het weten, de onzekerheid en de spanning waren te groot. We hebben toen alles in de Hervormde Kerk gedaan; eerst hebben we allerlei maatregelen genomen, voor doktoren gezorgd enz. Dominee Holland heeft de lijst van overledenen voorgelezen; ik heb hem met een lampje bijgelicht. De menschen hebben zich zeer best gehouden, wat mij wel verwonderde; maar ze hielden zich kranig. Later hebben we die lijst ter inzage gelegd op het gemeentehuis. Van de menschen, die toen nog op de lijst der overlevenden stonden, zijn echter ook verschillende niet teruggekomen.
Transcriptie D. Veefkind - 21 april 1947






